lag op een onroerende zaak (ex art. 725 jo. 707 Rv) Herziene versie van het verzoekschrift d.d. 3 maart 2025 Aan de edelachtbare heer/vrouwe voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag Geeft eerbied
t aanleiding om toe te lichten waarom hij civielrechtelijk conservatoir beslag wenst te leggen voor een vordering van strafrechtelijke aard. Op grond art. 36e lid 1 Sr kan de strafrechter op vordering van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) aan iemand die is veroordeeld voor een strafbaar feit, een verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (‘ontnemingsmaatregel’). Op grond van art. 36f lid 1 Sr kan de strafrechter iemand die is veroordeeld voor een strafbaar feit, de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer (‘schadevergoedingsmaatregel’). Op vergelijkbare wijze kan de strafrechter – ingevolge de op 1 juli 2022 in werking getreden Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit – op grond van art. 13d lid 1 Opiumwet aan iemand die is veroordeeld voor bepaalde strafbare feiten uit de Opiumwet, een verplichting opleggen tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid (‘kostenverhaalmaatregel’). 3.2 Anders dan ten aanzien van de ontnemingsmaatregel en de schadevergoedingsmaatregel biedt art. 94a Sv geen grondslag voor het leggen van conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel. Hoewel het aannemelijk is dat dit een omissie van de wetgever betreft (
hierna), gaat de Staat er, gelet op het legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in art. 1 Sv, van uit dat (analoge) toepassing van art. 94a Sv ten aanzien van de kostenverhaalmaatregel niet mogelijk is. Strikte toepassing legaliteitsbeginsel door Hoge Raad 3.3 Dat de Hoge Raad art. 1 Sv, ook in de context van strafvorderlijk beslag, streng toepast, blijkt bijvoorbeeld uit het arrest Staat/S.. Toen dit arrest werd gewezen, voorzag het Wetboek van Strafvordering nog niet in een uitdrukkelijke bevoegdheid van het OM tot het leggen van strafvorderlijk executoriaal beslag op voorwerpen van een ander (‘anderbeslag’) zonder dat daaraan een conservatoir beslag was voorafgegaan. De Staat heeft toen, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, betoogd dat executoriaal derdenbeslag, zonder voorafgaand conservatoir beslag desalniettemin wel mogelijk was. De Hoge Raad heeft dat betoog toen met de volgende motivering verworpen: “Weliswaar heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 94a lid 3 Sv een verruiming van de beslag- en verhaalsmogelijkheden beoogd bij derden die te kwader trouw voorwerpen onder zich hebben die middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, maar die algemene doelstelling volstaat niet voor de door het onderdeel bepleite uitleg van art. 575 Sv. In het licht van de ingevolge art. 1 Sv geboden restrictieve interpretatie van de voorschriften inzake de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen als de onderhavige kan immers de bevoegdheid tot het leggen van het hier aan de orde zijnde executoriaal beslag niet zonder wettelijke grondslag worden aanvaard.” Toepassing van civielrechtelijk conservatoir beslag en de doorkruisingsleer 3.4 Aangezien het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid tot het leggen van civielrechtelijk conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel niet uitsluit, rijst de vraag of het leggen van civielrechtelijk conservatoir beslag, als alternatief voor een strafvorderlijk conservatoir beslag, neerkomt op een onaanvaardbare doorkruising van het strafrecht. Dit is in de visie van de Staat niet het geval. 3.5 Zoals besproken kan middels gebruikmaking van een strafvorderlijke regeling geen resultaat worden bereikt dat vergelijkbaar is met de toepassing van art. 725 (jo. 707) Rv. Art. 94a Sv biedt immers geen grondslag voor een conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel. Verder is van belang dat bij de toepassing van art. 725 Rv [naam 1] meer rechtsbescherming geniet dan bij (analoge) toepassing van art. 94a lid 2 of 3 Sv. Anders dan bij art. 725 Rv, hoeft bij toepassing van art. 94a lid 2 of 3 Sv immers geen sprake te zijn van gegronde vrees voor verduistering, hoeft geen maximumbedrag vermeld te worden waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend en zijn voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld niet van toepassing. Bovendien geldt zowel bij conservatoire beslaglegging op grond van art. 94a Sv als bij conservatoire beslaglegging op grond van 725 Rv dat rechterlijke toetsing plaatsvindt. In beide gevallen gaat het (in beginsel) om een ex parte-toetsing. 3.6 Toepassing van art. 725 Rv in deze zaak sluit ook aan bij het systeem van de strafrechtelijke regeling. Zoals gezegd bestaat ten aanzien van de ontnemingsmaatregel ex art. 36e lid 1 Sr en de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f lid 1 Sr ook een mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag. Het belang dat door deze mogelijkheden wordt gediend – het veiligstellen van verhaal – is evenzogoed aan de orde wanneer de vordering van de Staat niet voortvloeit uit een ontnemings- of een schadevergoedingsmaatregel, maar uit een kostenverhaalmaatregel. Bovendien was het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om bij de invoering van de kostenverhaalmaatregel aan te sluiten bij deze twee andere maatregelen. Deze bedoeling blijkt niet alleen uit de parlementaire geschiedenis van de kostenverhaalmaatregel, maar ook uit de wet zelf. Art. 13d lid 3 Opiumwet bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de kostenverhaalmaatregel geschiedt op de wijze van tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. Art. 6:4:9 Sv verklaart vervolgens op de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel diverse artikelen die
n op de tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel van overeenkomstige toepassing. Hierdoor is art. 6:4:4 Sv (verhaal in geval van conservatoir beslag ex art. 94a Sv) ook van toepassing bij de tenuitvoerlegging van een kostenverhaalmaatregel. Dit is opvallend, omdat art. 94a Sv dus geen mogelijkheid biedt tot het leggen van conservatoir beslag in het geval van een kostenverhaalmaatregel. Dit is
(1)een indicatie dat het achterwege blijven van een mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag ex art. 94a Sv voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel een omissie van de wetgever betreft en
(2)een indicatie dat het systeem en de strekking van het Wetboek van Strafvordering en de wil van de wetgever zich niet principieel verzetten tegen de mogelijkheid van (civielrechtelijk) conservatoir beslag voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel. 3.7 Gelet op een en ander kan bij toepassing van art. 725 Rv in dit geval geen sprake zijn van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht. Dat betekent dat de toepassing van art. 725 Rv hier is toegestaan. Enkele opmerkingen omtrent Staat/Tradman en het legaliteitsbeginsel ex art. 1 Sv 3.8 Naar aanleiding van een eerdere – op 3 maart 2025 ingediende – versie van dit beslagrekest, heeft de voorzieningenrechter bij bericht van 4 maart 2025 aan de Staat gevraagd in het rekest nader in te gaan op de vraag hoe het onderhavige verzoek zich verhoudt tot het arrest Staat/Tradman (HR 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1579). Hieromtrent merkt de Staat het volgende op. 3.9 Hoewel in beide zaken in abstracto de vraag speelt hoe civielrechtelijk optreden door de Staat zich verhoudt tot het legaliteitsbeginsel, staat in beide zaken een wezenlijk andere rechtsvraag centraal en bestaan er cruciale verschillen tussen beide zaken. Inzet van het onderhavige verzoek is immers niet dat een geheel nieuwe vordering jegens de wederpartij in het leven wordt geroepen buiten het publiekrechtelijke systeem om. Het verzochte conservatoire beslag dient slechts ter waarborging van een strafrechtelijke vordering die rechtens is vastgesteld en toegewezen in een veroordelend strafrechtelijk vonnis – en waarvoor het strafrecht dus een expliciete grondslag biedt. Voorts gaat het hier, anders dan in Staat/Tradman, om een civielrechtelijke bevoegdheid die naadloos aansluit op het publiekrechtelijke systeem en die een kennelijke omissie van de wetgever adresseert. Hierbij is ook relevant dat de Staat, anders dan in Staat/Tradman, op basis van het publiekrecht wel reeds beschikt over vergelijkbare bevoegdheden. De Staat kan immers strafvorderlijk conservatoir beslag leggen voor vergelijkbare maatregelen. 3.10 De strekking van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel is om de rechten van de verdachte te waarborgen, om rechtszekerheid te bevorderen en om willekeur te voorkomen. Het leggen van civielrechtelijk conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel is, mede gelet op hetgeen onder § 3.9 besproken, verenigbaar met voornoemde strekking. Hier komt bij dat het civielrechtelijke conservatoir beslag met voldoende wettelijke waarborgen – meer nog dan in het strafrecht – is omkleed, zodat de rechten van de verdachte en de rechtszekerheid zijn gewaarborgd en van willekeur geen sprake kan zijn. Het enkele feit dat de mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel niet met zoveel woorden in het Wetboek van Strafvordering is vermeld, is op zichzelf onvoldoende om te kunnen oordelen dat een dergelijk conservatoir beslag (in een geval als het onderhavige) niet is toegestaan. In art. 1 Sv moet immers geen “oproep tot star legisme” worden gelezen. Bij deze stand van zaken is de Staat dan ook van mening dat niet kan worden gezegd dat art. 1 Sv civielrechtelijk conservatoir beslag voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel uitdrukkelijk uitsluit of dat een dergelijk beslag het publiekrecht op onaanvaardbare wijze doorkruist. 4Vrees voor verduistering 4.1 De Staat heeft de gegronde vrees dat [naam 1] zijn woning zal verduisteren in de zin van art. 711 Rv. In het bijzonder vreest de Staat dat [naam 1] de Woning zal overdragen, zal bezwaren met een hypotheekrecht of dusdanig zal verwaarlozen dat de waarde hiervan daalt. Zoals gezegd, is aan [naam 1] een verplichting opgelegd tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag aan de Staat. Daarin kan een reden voor [naam 1] gelegen zijn om zijn Woning te vervreemden en de opbrengst ervan weg te sluizen, opdat daarop te zijner tijd geen verhaal kan worden genomen voor de kostenverhaalmaatregel. Ervan uitgaande dat aan [naam 1] ook in hoger beroep een meerjarige gevangenisstraf zal worden opgelegd, zal hij gedurende langere tijd geen gebruik kunnen maken van zijn woning en zal hij beperkt worden in zijn mogelijkheid tot het vergaren van inkomsten. Ook daarom bestaat op zichzelf al het reële risico dat [naam 1] zal proberen om zijn Woning ten gelde te maken door deze te verkopen. Daarnaast is denkbaar dat [naam 1] zal proberen om financiering te verkrijgen door een tweede hypotheekrecht op zijn Woning te vestigen. In al deze gevallen zou de Staat in zijn verhaalsmogelijkheid worden geraakt. Indien conservatoir beslag is gelegd, kunnen dergelijke beschikkingshandelingen niet meer aan de Staat worden tegengeworpen. 4.2 Verder geldt dat zolang [naam 1] in voorlopige hechtenis zit, er een gerede kans bestaat dat in [naam 1] ’s afwezigheid de staat van de Woning dusdanig achteruit gaat, dat dit de waarde van de woning negatief beïnvloedt. Een conservatoir beslag op de Woning zou [naam 1] verplichten om die in goede staat te houden. Voor zover dit niet gebeurt, kan de Staat de benoeming van een gerechtelijke bewaarder van de Woning verzoeken. 5Noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit 5.1 Het leggen van conservatoir beslag op de Woning is noodzakelijk, gelet op het feit dat de Staat geen (goederenrechtelijke) zekerheid heeft dat de vordering uit hoofde van de kostenverhaalmaatregel zal worden voldaan. De Staat is ook niet in de positie om betaling af te dwingen via verrekening. Bovendien bestaat er gegronde vrees dat [naam 1] niet zal betalen, vanwege het reële risico dat [naam 1] loopt op een langdurige gevangenisstraf, hetgeen een negatief effect zal hebben op zijn verdienvermogen. 5.2 Het leggen van conservatoir beslag op de Woning is verder proportioneel, gelet op de omvang van de (begrote) geldvordering en de verwachte overwaarde op de Woning. De begrote geldvordering bedraagt namelijk € 126.976,92 en de overwaarde op de Woning bedraagt ten minste € 14.637,45,-, doch naar alle waarschijnlijkheid (veel) meer dan dat. In dat verband is van belang dat in 2024 een (iets grotere) woning in dezelfde buurt is verkocht voor € 350.000,-. Het enkele feit dat de (over)waarde van de Woning mogelijk groter is dan de begrote vordering betekent overigens nog niet dat een conservatoir beslag disproportioneel is. Zo kan het zijn dat de Staat een eventuele opbrengst nog moet delen met andere (preferente) schuldeisers die mogelijk ook beslag gaan leggen op de Woning. Bovendien komt een eventueel restant van de executieopbrengst toe aan [naam 1] , als geëxecuteerde. 5.3 Het leggen van conservatoir beslag op de Woning voldoet tot slot ook aan de eisen van subsidiariteit, omdat er geen andere vermogensbestanddelen van [naam 1] met een vergelijkbare verhaalswaarde bij de Staat bekend zijn. Bovendien staat een beslag op de Woning niet in de weg aan bewoning van de Woning door [naam 1] , voor zover hij überhaupt al in staat is om de Woning te bewonen, gelet op zijn voorlopige hechtenis. De impact van het conservatoire beslag blijft aldus beperkt voor [naam 1] . 6Hoofdzaak 6.1 Ten aanzien van de geldvordering is de hoofdzaak de strafzaak tegen [naam 1] met parketnummer 15/057092-2. Deze strafzaak is een hoofdzaak in de zin van art. 700 lid 3 Rv, omdat: 1. in deze strafrechtelijke procedure toetsing plaatsvindt van de gegrondheid en de omvang van de vordering waarvoor het beslag is gelegd; 2. deze strafrechtelijke procedure gericht is tegen de schuldenaar van de vordering waarvoor beslag is gelegd; 3. deze strafrechtelijke procedure met voldoende waarborgen is omkleed; 4. deze strafrechtelijke procedure, ook zonder medewerking van de beslagene, kan leiden tot verkrijging van een executoriale titel. Dat deze zaak niet bij de burgerlijke rechter aanhangig is, doet hier niet aan af. Vgl. HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8780 (A./Jongen & Jongen) waarin de Hoge Raad oordeelde
(1)dat de Belgische ‘plainte avec constitution de partie civile’ moet worden gelijkgesteld met het zich voegen als benadeelde partij in een Nederlandse strafprocedure,
(2)dat dit een met voldoende waarborgen omklede procedure is en
(3)dat dit dus een hoofdzaak is in de zin van art. 700 lid 3 Rv. 6.2 In de zaak met parketnummer 15/057092-2 heeft de Rechtbank het Vonnis gewezen. Tegen het Vonnis is door [naam 1] hoger beroep ingesteld, waardoor de hoofdzaak nog steeds loopt. 6.3 Tegen deze achtergrond is het niet nodig om een termijn te bepalen voor het instellen van een eis in de hoofdzaak. 7Door [naam 1] aangevoerde verweren tegen de vordering 7.1 In de strafzaak heeft [naam 1] via zijn raadsman verweer gevoerd tegen het opleggen van een maatregel tot kostenverhaal, zo blijkt uit rov. 6.2 van het Vonnis: “Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal heeft de raadsman primair bepleit de vordering af te wijzen nu de vordering in het dossier niet is ondertekend. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering aanzienlijk te matigen nu niet duidelijk is dat de verdachte als medepleger van het produceren van de drugs kan worden beschouwd en er meerdere personen (o.a. [naam 2] ) bij het drugslab betrokken zijn. Uiterst subsidiair heeft de raadsman bepleit een tiende van de vordering toe te wijzen.” 7.2 Dit verweer is door de Rechtbank verworpen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat een vooraf door de officier van justitie ondertekende vordering geen vereiste is. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat [naam 1] wel degelijk als medepleger kan worden gezien, aangezien er naar het oordeel van de Rechtbank sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam 1] en zijn medeverdachten. Tot slot oordeelt de Rechtbank dat onvoldoende concreet is geworden dat er naast [naam 1] en zijn medeverdachten nog anderen bij het drugslaboratorium betrokken zouden zijn geweest, waardoor er naar het oordeel van de Rechtbank geen aanleiding is voor vermindering van het bedrag dat [naam 1] moet vergoeden. De Staat sluit zich in dit beslagrekest aan bij deze oordelen en verwijst naar het Vonnis. 7.3 De raadsman van [naam 1] heeft in de strafzaak in meer algemene zin gepleit tot vrijspraak ten aanzien van alle drie ten laste gelegde feiten. Voor de inhoud van de verweren van [naam 1] hieromtrent en de verwerping van deze verweren door de Rechtbank verwijst de Staat naar het Vonnis. 8Bevoegdheid De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag is ingevolge art. 700 lid 1 Rv bevoegd om op dit verzoekschrift te beslissen, nu het beslagobject zich in Den Haag bevindt. REDEN WAAROM De Staat zich wendt tot de voorzieningenrechter met het verzoek: de (hiervoor onder 1.5 omschreven) vordering van de Staat op [naam 1] met inbegrip van renten en kosten voorlopig te begroten op € 126.976,92 (zegge: honderdzesentwintigduizend negenhonderdzesenzeventig euro en tweeënnegentig eurocent); de Staat verlof te verlenen conservatoir beslag te leggen op het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen te [adres 1] , [postcode] , [plaats 1] , althans het aandeel van [naam 1] hierin; het verlof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Den Haag, 7 maart 2025 Advocaat Toegestaan als verzocht met begroting van de vordering, inclusief rente en kosten, op € 126.976,92 (zegge: honderdzesentwintigduizend negenhonderdzesenzeventig euro en tweeënnegentig cent). Den Haag, 11 maart 2025 Voorzieningenrechter Griffier mr. D.R. Glass Producties Ter ondersteuning van de inhoud van dit verzoekschrift, levert de Staat de volgende producties aan: Productie 1: Vonnis Rechtbank Noord-Holland 21 oktober 2024, parketnummer 15/057092-24 (P) Productie 2: Kostenoverzicht en factuur van [bedrijfsnaam] B.V. Productie 3: Kennisgeving van inbeslagname Productie 4: Proces-verbaal van conservatoir beslag onder de verdachte (model A) Productie 5: Kadastrale eigendomsinformatie [kadastrale aanduiding 1] d.d. 27 januari 2025 Productie 6: Hypotheekgegevens van [naam 1] Productie 7: WOZ-waarde van de [adres 1] , [postcode] , [plaats 1] Productie 8: Kadastrale eigendomsinformatie [kadastrale aanduiding 2] d.d. 21 november 2024
rov. 6.3 van het Vonnis.
art. 6:1:16 lid 1 Sv. Meer bijzonder gaat het om 13 biljetten van € 50,-, vier biljetten van € 20,-, negen biljetten van € 5,- en twee biljetten van € 10,-.
de Kennisgeving van inbeslagname (productie 3).
het Proces-verbaal van conservatoir beslag onder de verdachte (model A) (productie 4). In eerste instantie was het contante geld in beslag genomen op grond van art. 94 lid 1 Sv met als doel waarheidsvinding (
productie 3). Stb. 2021, 544. Vergelijkbare maatregelen zijn opgenomen in art. 8 sub d Wet op de economische delicten en art. 56a Wet wapens en munitie. Toen nog op voet van art. 94a lid 3 Sv (oud). HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9629, rov. 3.4.3 (Staat/S.). Vgl. HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, rov. 3.2 (Windmill).
art. 94c sub a, b en c Rv.
over de verwantschap tussen de kostenverhaalmaatregel en de ontnemingsmaatregel, bijvoorbeeld ten aanzien van de matigingsbevoegdheid, de tenuitvoerlegging, de innings- en incassomiddelen en het reparatoire karakter van de maatregel: Kamerstukken II, 2019/20, 35 564, nr. 3, p. 20-21, 21, 43, 44; Kamerstukken II, 2020/21, 35 564, nr. 6, p. 24. Alsmede ter waarborging van een vordering uit hoofde van een eventueel in hoger beroep op te leggen kostenverhaalmaatregel.
§1.5.
Namelijk art. 13d Opiumwet.
§ 3
.6.
§ 3
.1.
§ 3.5.
B.F. Keulen & G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024/1.
- Vgl. Asser/Sieburgh 6-IV 2023/
- Vgl. Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/190.
art. 707 Rv jo. art. 726 lid 1 Rv jo. art. 505 lid 2 Rv. Vgl. Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/
- Art. 707 Rv jo. art. 726 lid 1 Rv jo. art. 506 lid 1 Rv. Art. 707 Rv jo. 726 lid 1 Rv jo. art. 506 lid 2 Rv. Vgl. Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/
- Dit blijkt enerzijds uit de op grond van art. 126nd Sv gevorderde hypotheekgegevens waaruit een resterende schuld van € 191.362,55 blijkt (productie 6), en anderzijds uit de conservatieve WOZ-waarde per 1 januari 2024 à € 206.000,- (productie 7).
het als productie 8 overgelegde uittreksel uit het kadaster ten aanzien van deze woning. Vgl. Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/
- Vgl. Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/
- Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/220-
- Vgl. HR 26 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2861, rov. 3.4.2 (Ajax/Reule); HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, rov. 3.6 (Ontvanger/Heemhorst); HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773, rov. 3.4.2 (Avonwick/VI). Vgl. HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:164, rov. 3.2.3 (Earth Concepts/Upstream Advertising). Vgl. HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347 (Ontvanger/Heemhorst); HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8780, rov. 3.3 (A./Jongen & Jongen); HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773, rov. 3.4.3 (Avonwick/VI). Vgl. HR 26 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2861, rov. 3.4.2 (Ajax/Reule); HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, rov. 3.4 (Ontvanger/Heemhorst); HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6082, rov. 3.3.3 (HCB/DHV); HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773, rov. 3.4.2 (Avonwick/VI). HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, rov. 3.3 (Ontvanger/Heemhorst).
het Vonnis rov. 6.3.
het Vonnis, rov. 3.3.2.
het Vonnis rov. 6.3.