RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL24.44423 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T. Bruinsma), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. P.N.W. Jans). Inleiding en procesverloop De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 5 november 2024, waarbij verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser heeft afgewezen. Eiser heeft op 19 november 2024 beroepsgronden ingediend. Op 11 maart 2025 heeft verweerder op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer: NL24.44424), op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.K. Ehigiene als tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld om een aanvullend stuk te overleggen. Op 14 maart 2025 heeft eiser het aanvullende stuk overgelegd. Verweerder heeft bij brief van 20 maart 2025 gereageerd op het aanvullende stuk. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft gesloten. Totstandkoming van het bestreden besluit Asielaanvragen 1.1. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987. Hij heeft eerst op 10 januari 2020 (Dublinprocedure) en 9 oktober 2020 asiel aangevraagd. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn lidmaatschap en activiteiten ten behoeve van de Indigenous People of Biafra (IPOB, een organisatie die streeft naar onafhankelijkheid van Biafra) in 2015 is vertrokken uit Nigeria. Hij stelt in februari 2015 te hebben deelgenomen aan een demonstratie waarbij zijn broer is doodgeschoten en waaraan eiser zelf een schotwond aan zijn schouder heeft overgehouden. Met het besluit van 30 augustus 2021 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser lid was van IPOB en hierdoor in Nigeria problemen heeft ervaren. Weliswaar volgt verweerder dat eiser sympathieën heeft voor de ideeën van IPOB, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft in de uitspraak van 29 september 2021 (zaaknummer NL21.14248), het door eiser ingediende beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd in hoger beroep bij uitspraak van 26 oktober 2021 (zaaknummers: 202106364/1/V2 en 202106364/2/V2). 1.2. Op 9 mei 2022 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daarover gaat deze uitspraak. Eiser heeft hieraan – samengevat – ten grondslag gelegd dat hij biseksueel en dat hij in Nederland actief is voor IPOB. Eerder durfde eiser, vanwege schaamte, niet te verklaren over zijn biseksuele geaardheid. In Nigeria schaamde eiser zich er ook voor: hij leefde in angst voor Jungle Justice – een vorm van lynchen – en hij dacht dat hij een aparte jongen is die zich bezig hield met de verkeerde dingen. Op een dag kwam eiser in gesprek met zijn kamergenoot [persoon A] . Eiser kreeg met [persoon A] een relatie. De relatie eindigde toen [persoon A] door afkeurende omstanders werd gezien met een andere jongen. Een pastoor heeft tegen eiser gezegd dat hij een visie heeft gekregen dat eiser een relatie met een jongen had. Eiser was geschokt en vertelde de waarheid. De pastoor heeft eiser verteld dat hij met meisjes moest omgaan. Omdat eiser ook bang was om naar “de hel” te gaan heeft hij sinds 2004 tot zijn vertrek in 2015 geen relatie meer gehad met jongens of meisjes. In Nederland had eiser ook een relatie gehad met een jongen (ook genaamd [persoon A] ). Verder is eiser actief voor IPOB. Via Facebook en Twitter verspreidt eiser boodschappen, bijvoorbeeld informatie over wanneer protesten in Nederland plaatsvinden en wat IPOB-gelieerde personen in Nigeria zijn overkomen. In Nederland is eiser lid geworden van (een afdeling van) IPOB. Eiser betaalt contributie, gaat naar vergaderingen (en spreekt daar), heeft meerdere demonstraties bijgewoond en geholpen bij het opzetten van de IPOB-afdeling in Gilze. Volgens eiser is hij twee keer door een onbekend nummer gebeld, waarbij hem werd verteld dat de namen van IPOB-leden in Nederland worden doorgegeven aan de Nigeriaanse overheid en dat de leden van IPOB door de Nederlandse autoriteiten worden uitgezet naar Nigeria. Het bestreden besluit 2. 2.1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende motieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; eiser is actief voor IPOB Nederland; biseksuele geaardheid. 2.2. Verweerder heeft het eerste en het tweede asielmotief geloofwaardig geacht. Het derde asielmotief niet. Volgens verweerder zijn het lidmaatschap en de activiteiten van eiser voor IPOB in Nederland onvoldoende om voor het vluchtelingschap in aanmerking te komen. Dit omdat (nog altijd) niet is gebleken dat eiser in de negatieve aandacht van de Nigeriaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. Eisers biseksuele geaardheid acht verweerder niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen op de vier thema’s – opgenomen in de werkinstructie (WI) 2019/17 ‘Horen en beslissing in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’ – onpersoonlijk en algemeen zijn. Eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn persoonlijke ervaringen en belevingswereld. Ook verklaart hij wisselend. Er doet zich volgens verweerder geen asielgrond voor als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw). Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Beoordeling door de rechtbank Geloofwaardigheid biseksuele geaardheid 3. Volgens eiser heeft verweerder het derde asielmotief, zijn biseksuele geaardheid, ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Referentiekader 4.1. Eiser voert hiertoe ten eerste aan dat verweerder in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Het enkele feit dat er zou zijn ingegaan op het gevoel van schaamte is nietszeggend. Er wordt ook geen rekening gehouden met het vermogen van eiser om zaken over zijn biseksuele geaardheid goed te benoemen. 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit wel kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Daaronder vallen zijn persoonlijke omstandigheden, (culturele) achtergrond en leeftijd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622, en WI 2019/17). Verweerder verwijst in dit kader terecht naar passages en tegenwerpingen uit het voornemen, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Verweerder heeft bijvoorbeeld in het voornemen (p. 4) betrokken dat eiser zich schaamde voor zijn seksuele gerichtheid, wat voor eiser reden was dat hij hierover niet in de eerste asielprocedure heeft verklaard. Verweerder heeft zich in dit kader niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet duidelijk wordt of hij zich nog altijd schaamt voor zijn seksuele geaardheid en hoe zijn mening daarover zich heeft ontwikkeld. Zo verklaart eiser: “ik ben een aparte jongen die bezig is met verkeerde dingen”, maar ook verklaart eiser over zijn relatie met [persoon A] in Nigeria: “toen was de schaamte weg bij mij […]. Ik hoef mij niet meer te schamen bij andere mensen, want wij zijn altijd bij elkaar.” Verweerder merkt verder niet ten onrechte op dat eiser ruim de tijd heeft gehad om over zijn biseksuele geaardheid na te denken (in Nederland), waardoor juist meer persoonlijke en uitgebreide verklaringen kunnen worden verwacht. Dit geldt des te meer nu eiser in Nederland een andere jongen heeft ontmoet die hem heeft laten weten dat hij niet bang hoefde te zijn om openlijk voor zijn seksuele geaardheid uit te komen (p. 22 gehoor opvolgende aanvraag). De verwachting van verweerder dat eiser kan vertellen wat het voor hem heeft betekend dat hij jarenlang zijn seksuele geaardheid geheim heeft moeten houden, bijvoorbeeld voor zijn familie, acht de rechtbank ook niet ongerechtvaardigd. Daarnaast stelt verweerder terecht dat eiser tijdens de gehoren niet heeft aangegeven zich ongemakkelijk te voelen bij het afleggen van zijn verklaringen. Dat eiser heeft aangevoerd zich wél op zijn gemak te voelen bij zijn gemachtigde, betekent niet zonder meer dat verweerder – gezien het geschetste profiel in het verweerschrift, onder verwijzing naar het voornemen – geen diepgaande, concrete en persoonlijke verklaringen over zijn gevoelens, denkprocessen, gebeurtenissen en activiteiten van eiser mag verwachten. 4.3. Het enkele feit dat verweerder het referentiekader van eiser in het voornemen of het bestreden besluit niet expliciet heeft uiteengezet is onvoldoende om te concluderen dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Verweerder heeft per tegenwerping wel gemotiveerd waarom bepaalde verwachtingen van eiser gerechtvaardigd zijn, onder verwijzing naar zijn (culturele) achtergrond en persoonlijke omstandigheden. 4.4. De beroepsgrond slaagt niet. Correcties en aanvullingen 5. 5.1. Eiser voert in het kader van de geloofwaardigheid van het derde asielmotief ten tweede aan dat verweerder de correcties en aanvullingen op het gehoor opvolgende aanvraag onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn biseksuele geaardheid. Volgens eiser is het feit dat verweerder de correcties en aanvullingen tweemaal heeft benoemd in het voornemen onvoldoende, en niet in lijn met de uitspraken van de Afdeling waarop hij in zijn zienswijze heeft gewezen (ECLI:NL:RVS:2021:1766 en ECLI:NL:RVS:2021:2615). 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser deze beroepsgrond onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft geen concrete voorbeelden gegeven van correcties en aanvullingen die volgens hem ten onrechte niet zijn meegenomen door verweerder. Hij heeft volstaan met de algemene stelling dat het twee keer benoemen in het voornemen onvoldoende is. Verweerder is hierop in het bestreden besluit al uitgebreid ingegaan naar aanleiding van de zienwijze. Het is de rechtbank – ook na hiernaar op zitting gevraagd te hebben – niet duidelijk op welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.