Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-512 Zaaknummer: C/09/660273 Datum beschikking: 28 mei 2025 Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alimentatie Beschikking op het op 18 januari 2024 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. N.M. Zeeman te ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.A. van der Heiden te Honselersdijk. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van 7 februari 2024 van de zijde van de moeder, met bijlagen; het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek; het F9-formulier van 16 september 2024 van de zijde van de moeder; het F9-formulier van 3 april 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen; het F9-formulier van 4 april 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen; het bericht van 6 april 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen; het F9-formulier van 15 april van de zijde van de vader, met bijlage; het F9-formulier van 16 april van de zijde van de moeder, met bijlage. Op 16 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat; de vader met zijn advocaat; [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen verblijven bij de moeder. Bij beschikking van deze rechtbank van 13 november 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald dat: - de vader aan de moeder, met ingang van 1 september 2024 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 242,50 per kind per maand zal betalen; - de vader aan de moeder, met ingang van 20 oktober 2024 (het moment dat de moeder bevallen is van de nieuwe baby) voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 296,- per kind per maand zal betalen. Verzoek en verweer De moeder verzoekt, na wijziging: te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben; te bepalen dat de kinderen in de even weekenden van vrijdag voor het eten 18.00 uur tot zondag na het eten om uiterlijk 19.30 uur bij de vader verblijven, de vader haalt en brengt de kinderen; te bepalen dat de kinderen op maandag door de vader uit school dan wel de opvang worden opgehaald en na het eten bij de moeder worden thuisgebracht; te bepalen dat de vakanties, feestdagen en studiedagen van de kinderen bij helfte worden gedeeld waarbij de vader in de even jaren eerste keuze heeft in de verdeling van de vakanties, feestdagen en studiedagen en de moeder in de oneven jaren eerste keuze heeft, waarbij geldt: - de zomervakantie wordt drie om drie weken verdeeld, uiterlijk 1 september van ieder jaar dient de keuze aan de andere ouder te zijn doorgegeven en dient er algehele overeenstemming te zijn voor de verdeling van het komende jaar; - de kinderen verblijven met Kerst jaarlijks wisselend één dag bij iedere ouder; - oud en nieuw vieren de kinderen in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder; - wanneer de ouders met de kinderen weg gaan en langer dan twee dagen aaneengesloten van huis zijn, zal de andere ouder geïnformeerd worden over de verblijfsplaats van de kinderen en wanneer de kinderen weer terug zullen komen; - per kalenderjaar kunnen beide ouders maximaal twee weken aaneengesloten zonder de kinderen op vakantie (buiten de schoolvakanties), de andere ouder zal dan zorg dragen voor de kinderen; te bepalen dat telefonisch contact met de kinderen wanneer zij bij de andere ouder zijn is toegestaan en door die ouder zal worden gefaciliteerd; te bepalen dat termen als vader, moeder, papa en mama enkel gebruikt mogen worden voor de biologische ouders van de kinderen; te bepalen dat wanneer de kinderen in de vakanties op donderdag(middag) en vrijdag bij de vader verblijven, de vader de zorg over de kinderen zal dragen en deze niet zal overdragen aan grootouders moederszijde; te bepalen dat last minute vakanties niet later dan vijf werkdagen voorafgaand aan de vakantie aan de andere ouder worden meegedeeld; te bepalen dat de moeder gerechtigd is tot het innen van de kinderbijslag en dat aan haar het kindgebonden budget toekomt alsmede dat de moeder gerechtigd is tot het aanvragen en ontvangen van de kinderopvangtoeslag; te bepalen dat de vader gehouden is te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen een bedrag van € 338,- per kind per maand, dan wel een in goede justitie te bepalen bijdrage vast te stellen, met ingang van 3 juli 2023 dan wel met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, te voldoen bij vooruitbetaling welke bijdrage dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de moeder voor iedere eerste dag van de maand; voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig zal worden besproken. Daarbij verzoekt hij zelfstandig, na wijziging: - te bepalen dat de vakanties en feestdagen worden verdeeld als volgt: - herfstvakantie: bij de vader; - kerstvakantie: eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder; - voorjaarsvakantie: bij de moeder; - meivakantie: eerste week bij de moeder, tweede week bij de vader; - zomervakantie: in de even jaren eerste drie weken bij de vader, laatste drie weken bij de moeder, in de oneven jaren eerste drie weken bij de moeder, laatste drie weken bij de vader; - Goede Vrijdag: reguliere zorgregeling; - Eerste Paasdag: reguliere zorgregeling; - Tweede Paasdag: reguliere zorgregeling; - Koningsdag: reguliere zorgregeling; - Bevrijdingsdag: reguliere zorgregeling; - Hemelvaartsdag: reguliere zorgregeling; - Eerste Pinksterdag: reguliere zorgregeling; - Tweede Pinksterdag: reguliere zorgregeling; - Sinterklaas: reguliere zorgregeling; - Eerste Kerstdag: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader; - Tweede kKrstdag: even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder; - Oud en Nieuw: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader; - Moederdag: bij de moeder; - Vaderdag: bij de vader; - verjaardag kinderen: reguliere zorgregeling; - verjaardag moeder: bij de moeder; - verjaardag vader: bij de vader; de studiedagen te verdelen conform de reguliere zorgregeling; een nader te bepalen bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen op basis van voornoemde uitgangspunten maar met verschillende ingangsdata: - een bedrag aan kinderalimentatie dat de vader dient te betalen aan de moeder vanaf de dag van de beschikking totdat de partner van de vader is bevallen; - een bedrag aan kinderalimentatie dat de vader dient te betalen aan de moeder vanaf het moment dat de partner van de vader is bevallen. voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Hoofdverblijfplaats De ouders hebben overeenstemming bereikt ten aanzien van het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen. De rechtbank zal daarom overeenkomstig de overeenstemming beslissen. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten. De ouders zijn het erover eens dat de kinderen in de even weekenden van vrijdag 18.00 uur voor het eten tot zondag om uiterlijk 19.30 uur na het eten bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt. De rechtbank zal deze weekendregeling daarom opnemen in de beslissing. Naast de weekenden, vindt de moeder het belangrijk dat de kinderen nog een doordeweeks contactmoment met de vader hebben. Met name omdat de kinderen zelf aangeven dat ze de vader graag meer willen zien. De vader heeft aangegeven dat een extra moment doordeweeks voor hem in verband met zijn werktijden niet haalbaar is. De rechtbank oordeelt dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om de vader een extra moment te zien. Van de vader kan worden verlangd om een keer per veertien dagen zijn werktijden zodanig aan te passen dat hij de kinderen aan het eind van de middag kan ophalen om met hen te eten. De rechtbank bepaalt daarom dat de kinderen een keer in de veertien dagen bij de vader eten, vanaf 17.00 uur tot 19.30 uur, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt. De ouders dienen in onderling overleg te bepalen welke dag de meeste quality time oplevert. De moeder verzoekt net als de vader dat de vakanties, feestdagen en studiedagen bij helfte worden verdeeld. Ter zitting hebben de ouders daarover de volgende afspraken gemaakt. De ouders zijn ook overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de zomervakantie in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader zijn en in de even jaren de laatste drie weken bij de vader zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn elk jaar in de herfstvakantie bij de vader en elk jaar in de voorjaarsvakantie bij de moeder. In de meivakantie zijn de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. De moeder heeft daarbij aangegeven dat zij graag de gelegenheid wil hebben om in de meivakantie twee weken met de kinderen op vakantie te kunnen. De vader wil dit niet, hij wil de helft van de vakantie met de kinderen doorbrengen. De rechtbank houdt vast aan het uitgangspunt van een 50/50 verdeling van de vakanties. Mocht moeder langer dan een week met de kinderen op vakantie willen, dan moet zij dit tijdig aangeven bij de vader en met hem bespreken. De rechtbank zal hierover niets opnemen in de beslissing. Ten aanzien van de kerstvakantie bepaalt de rechtbank dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven jaren de eerste week bij de moeder zijn en de tweede week bij de vader. Oud en Nieuw brengen de kinderen door met de ouder bij wie zij volgens de vakantieregeling zijn, dus in de oneven jaren bij de vader en de even jaren bij de moeder. Daarnaast zijn de ouders het er over eens dat de kinderen altijd Eerste Kerstdag bij de vader zijn en Tweede Kerstdag bij de moeder zijn. Moederdag zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder en Vaderdag bij de vader. Ten aanzien van de verjaardagen van zowel de kinderen als de ouders, zijn partijen ter zitting overeen gekomen dat de reguliere zorgregeling zal worden gevolgd. Hetzelfde geldt voor Goede Vrijdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag en Hemelvaartsdag. Voor Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag geldt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder zullen zijn, waar zij niet in het direct daaraan voorafgaande weekend inclusief Eerste Paasdag/Eerste Pinksterdag volgens de reguliere zorgregeling waren. Met Sinterklaas zijn de kinderen bij de moeder. Tot slot zijn de ouders overeengekomen dat de studiedagen vanaf aankomend schooljaar om en om worden verdeeld, en dat de vader de kinderen op de twee studiedagen die nog binnen dit schooljaar vallen bij zich zal hebben. Kinderalimentatie Samenloop van onderhoudsverplichtingen Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De vader is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onderhoudsplichtig, maar ook voor [naam 2] , zijn dochter uit een eerdere relatie. Ook aan de zijde van de moeder moet rekening gehouden worden met een samenloop van onderhoudsverplichtingen. Zij is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar ook voor [naam 3] , de zoon die in [geboortemaand] 2024 is geboren uit de relatie met haar nieuwe partner. Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of partijen in staat zijn om aan hun onderhoudsverplichtingen te voldoen. Verwachte geboorte baby in [maand] 2025 De rechtbank zal nu nog geen rekening houden met de komst van de baby van de vader en zijn partner, omdat dit een toekomstige omstandigheid is en de omvang van de behoefte van dit kind en de draagkracht van de vader en zijn partner mede worden bepaald door het wel of niet samenwonen van de vader en zijn partner. De rechtbank gaat ervan uit dat, als zich een wijziging van omstandigheden voordoet, partijen in staat zullen zijn om op basis van de uitgangspunten uit deze beschikking met elkaar te overleggen over de vraag of dat een relevante wijziging is die maakt dat een herberekening moet plaatsvinden. Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. Uit artikel 1:402 eerste lid BW volgt dat ten aanzien van iedere alimentatiebeslissing de ingangsdatum moet worden bepaald. De wetgever laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van indiening van het verzoekschrift, de datum van de beschikking. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechtbank terughoudend om te gaan met het vaststellen van een kinderalimentatieverplichting met terugwerkende kracht. De rechtbank zal in dit geval bepalen dat de kinderalimentatieverplichting in gaat per datum beschikking. Bij voorlopige voorziening is al een alimentatiebedrag bepaald, die door de vader betaald is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2] Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.174,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.373,- per maand ofwel € 686,50 per kind per maand. [naam 3] Omdat de moeder ook onderhoudsplichtig is voor [naam 3] , zal de rechtbank zijn behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte van [naam 3] moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder en haar huidige partner worden bepaald. Voor het NBI van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 4.042,- bruto per maand, te vermeerderen met € 689,- IKB per maand en een tegemoetkoming AOV van € 9,-per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van december 2024, januari 2025 en februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.