Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-2393 (scheiding) en FA RK 24-4452 (verdeling) Zaaknummer: C/09/664081 (scheiding) en C/09/668315 (verdeling) Datum beschikking: 18 juni 2025 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 2 april 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R. Shahbazi in Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, volgens de Registratie Niet Ingezetenen sinds 26 januari 2024 geëmigreerd naar het buitenland, zonder bekende woon- of verblijfplaats, advocaat: mr. N. Çiçek in Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het bericht van 30 april 2024, met bijlage, namens de vrouw; het bericht van 13 mei 2024, met bijlagen, namens de vrouw; het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, namens de man; het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met aanvullend verzoek, namens de vrouw; het bericht van 14 juni 2024, met bijlage, namens de vrouw; de brief van 16 mei 2025, met bijlagen, namens de vrouw; de e-mail van 19 mei 2025, met bijlage, namens de vrouw; het bericht van 20 mei 2025, met bijlagen, namens de vrouw; de e-mail van 20 mei 2025 namens de man. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt. Op 21 mei 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en tolk M.A. Budak, de man met zijn advocaat en tolk M. Sivridag, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2007 in [plaats 1] , [land] . Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats] . De vrouw en de man oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen. De vrouw heeft zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit. Volgens de Basisregistratie Personen (BRP) hebben de kinderen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. Deze rechtbank heeft op 20 maart 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat: de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaats 2] , met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw zullen worden toevertrouwd; de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben, onder voorwaarde dat het opgelegde huis- en contactverbod is afgelopen: iedere week op de zaterdag en zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man de kinderen zal halen en terugbrengen tot beneden bij de woning, tenzij met de betrokken hulpverlening andere afspraken worden gemaakt; de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie voor de kinderen van in totaal € 629,- per maand voor beide kinderen, ofwel € 315,- per maand per kind betaalt, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw strekt – na wijziging – tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; vaststelling van een zorgregeling voor de kinderen zoals opgenomen onder punten 22 en 23, althans een zodanige zorgregeling die in het belang van de kinderen juist wordt geacht; vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 315,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een ander bedrag dat door de rechtbank juist wordt geacht; vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 300,- per maand, iedere eerste van de maand bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een zodanige bijdrage met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht; vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw; toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaats 2] , voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man; voor zover het verzoek onder I wordt afgewezen, vaststelling van een zorgregeling inhoudende een week op week af regeling, waarbij het wisselmoment op maandagochtend is; bepaling dat alle schoolvakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld; vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man; toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaats 2] ; althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie acht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert – onder referte voor het verzoek over de schoolvakanties en feestdagen –verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar nog verblijft, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Ontvankelijkheid Door beide ouders is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide ouders niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om tot overeenstemming te komen over hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie. Gelet hierop zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv. Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de vrouw en de man ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Hoofdverblijfplaats Rechtsmacht en toepasselijk recht Aangezien de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Inhoudelijke beoordeling Op de zitting zijn de vrouw en de man overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu zij dit ook in het belang van de kinderen acht. Zorgregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Aangezien de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling voor de kinderen. Inhoudelijke beoordeling Op de zitting zijn de vrouw en de man overeengekomen dat, zolang de man nog geen eigen woonruimte heeft, uitvoering wordt gegeven aan de voorlopige zorgregeling zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgelegd. Daarnaast zijn de vrouw en de man overeengekomen dat zodra de man eigen woonruimte heeft, de zorgregeling in onderling overleg wordt uitgebreid. In dat geval zullen zij de vakanties en feestdagen bij helfte verdelen in onderling overleg. De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen, nu zij dit ook in het belang van de kinderen acht. Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de vrouw en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling De vrouw en de man zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen in 2024 € 764,- per maand bedroeg, zoals is berekend bij de voorlopige voorzieningenprocedure. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 814,- per maand, te weten € 407,- per maand per kind. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij een instabiele inkomenssituatie heeft en pas net bij een vriend in dienst is getreden, waardoor hij nog geen salarisstrook heeft kunnen overleggen. Op verzoek van de man is hem op de zitting een termijn van twee weken gegeven om zijn eerste loonstrook en de arbeidsovereenkomst over te leggen. De rechtbank constateert dat de man na de zitting geen enkel document heeft overgelegd. De draagkracht van de man kan daarom niet worden berekend op basis van recente gegevens. Nu de vrouw dezelfde inkomensgegevens heeft als tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure en ook van hetzelfde percentage aan zorgkorting (15%) wordt uitgegaan, zal de rechtbank de bij de voorlopige voorzieningenprocedure berekende kinderalimentatie nu als definitief vaststellen. In 2024 bedroeg het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie € 629,- per maand voor beide kinderen. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie € 670,- per maand voor beide kinderen, te weten € 335,- per maand per kind. De rechtbank zal dit bedrag aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking. Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 Nederlands recht toepassen op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) de gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Inhoudelijke beoordeling Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek voor een bijdrage aan partneralimentatie gewijzigd van € 300,- naar € 25,- per maand. Vanwege het ontbreken van recente inkomensgegevens van de man gaat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bedrag aan partneralimentatie ook uit van de berekening van zijn draagkracht in de voorlopige voorzieningenprocedure. Aangezien bij die berekening is gebleken dat er een tekort aan draagkracht is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, waardoor de man zijn draagkracht volledig daarvoor moet aanwenden, stelt de rechtbank vast dat de man geen draagkracht heeft voor partneralimentatie. De rechtbank zal daarom dit verzoek van de vrouw afwijzen. Verdeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om de verdeling van de gemeenschap van goederen te bevelen. Aangezien de huwelijksdatum van partijen tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019 ligt, namelijk op [datum] 2007, is op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing. Artikel 4 van het Verdrag luidt als volgt: Indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit: indien door die Staat de in artikel 5 bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten; indien die Staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen: a. in een Staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd, of b. in een Staat die geen partij is bij het Verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft; 3. indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.