RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL24.27697 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen staatssecretaris van Justitie, de minister, (gemachtigde: mr. H. Metselaar). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn opvolgende asielaanvraag van 23 maart 2023, de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en het verzoek tot heroverweging. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De minister heeft met het besluit van 22 november 2024 (het bestreden besluit) alsnog besloten op eisers opvolgende asielaanvraag en eisers verzoek tot heroverweging. 1.
- Eiser heeft op 2 december 2024 in een brief aanvullende beroepsgronden ingediend. Het beroep is, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), daarom mede gericht op het besluit van 22 november
- Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft als zaaknummer NL24.
- 1.
- De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Nyembo Katumbwe als tolk en de gemachtigde van de minister. Totstandkoming van het besluit De achtergrond van het geschil
- Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en is Burger van de Democratische Republiek Congo (DRC). Eerste aanvraag 2.
- Eiser heeft op 26 september 2016 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Ten tijde van de asielaanvraag was eiser minderjarig. Deze aanvraag heeft de minister bij besluit van 17 juli 2017 afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat eiser aan het begin van zijn procedure heeft volhard in een onjuiste opgave van zijn identiteit, het ontkennen van zijn Belgische visum en een vals asielrelaas. De minister heeft eiser vervolgens niet opnieuw gehoord omtrent het in de zienswijze naar voren gebrachte gestelde echte asielrelaas. Eiser kwam niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.48, tweede lid onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en de beleidsregels “AMV die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken” (AMV- buitenschuldbeleid) zoals omschreven onder B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Eiser kwam ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aan eiser is ook een terugkeerbesluit opgelegd. 2.
- In haar uitspraak van 7 augustus 2017 (NL17.5265) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het door eiser ingestelde beroep tegen het besluit van 17 juli 2017 ongegrond verklaard. In de uitspraak van 16 februari 2018 (201706510/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2017 bevestigd. Tweede aanvraag 2.
- Op 24 september 2018 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. In het daaropvolgende besluit van 21 januari 2020 heeft de minister eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Ook eisers verklaringen ten aanzien van de mishandelingen en verkrachting door zijn stiefmoeder mevrouw Jojo en de daaruit voortvloeiende problemen heeft de minister geloofwaardig geacht. De minister heeft geconcludeerd dat eiser op grond hiervan niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), nu zijn asielmotieven niet te herleiden zijn tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin kwam eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw
- De minister concludeerde dat eisers asielaanvraag moest worden afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. 2.
- In de uitspraak van 24 augustus 2020 (NL20.2380) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep van eiser tegen het besluit van 21 januari 2020 gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek in dat besluit. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het besluit van 21 januari 2020 – de afwijzing van eisers asielaanvraag – in stand gelaten. In de uitspraak van 27 mei 2020 (202002743/1/V3) heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 24 augustus 2020 bevestigd. Huidige aanvraag
- Eiser heeft op 23 maart 2023 in een M35-O formulier een opvolgende asielaanvraag ingediend. In een begeleidend schrijven van 8 maart 2023 heeft eiser verzocht om het besluit van 17 juli 2017 te heroverwegen naar aanleiding van het arrest TQ van 14 januari
- Eiser stelt dat de minister bij gebrek aan adequate opvang ten tijde van de eerste procedure geen terugkeerbesluit had mogen opleggen. In plaats daarvan had de minister een verblijfsvergunning regulier op grond van het AMV-buitenschuldbeleid aan eiser moeten verlenen, zodat eiser nu alsnog in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. Ook verzoekt eiser verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM. Daarnaast verzoekt eiser om de kosten van het rapport van 12 oktober 2022 dat is opgesteld door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO), te vergoeden. Het bestreden besluit
- Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - Identiteit, nationaliteit en herkomst; - de mishandeling en het misbruik door eisers stiefmoeder. 4.
- Aan het bestreden besluit van 22 november 2024 ligt het volgende ten grondslag. De minister heeft beide asielmotieven in de tweede procedure in 2020 geloofwaardig geacht, maar deze asielmotieven hebben niet geleid tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel op de a-grond. Eiser kwam evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op de b-grond. Eiser heeft nadien geen nieuwe geloofwaardige elementen naar voren gebracht die dit oordeel veranderen. 4.
- De minister heeft in het bestreden besluit verwezen naar het besluit van 17 juli 2017 waarbij aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Dit terugkeerbesluit is nog steeds geldig. De minister heeft aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. 4.
- Ten aanzien van eisers verzoek tot heroverweging heeft de minister zich – kort gezegd – op het volgende standpunt gesteld. Ten tijde van de eerste procedure in 2017 was er adequate opvang voor eiser beschikbaar in de DRC, zodat eiser niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het AMV-buiten schuldbeleid. Het door eiser overgelegde iMMO-rapport, waarin staat dat eiser ook ten tijde van de eerste procedure niet geheel compleet, coherent en consistent kon verklaren, doet niets af aan het standpunt dat er destijds adequate opvang was voor eiser. Omdat het hier een opvolgende aanvraag betreft hoefde de minister niet ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM. De kosten van het iMMO-rapport vergoedt de minister evenmin omdat het rapport niet tot een ander besluit heeft geleid. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het besluit van de minister aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank verklaart het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk en het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 22 november 2022 ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Beroep tegen het niet tijdig beslissen
- Omdat de minister al een besluit op de aanvraag van eiser heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 22 november
- Beroep tegen het bestreden besluit Integrale verwijzing naar de zienswijze
- Voor zover eiser verzoekt al hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen en mee te nemen in beroep, overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of niet toereikend is. Het voornoemde algemene standpunt van eiser is daarvoor onvoldoende. De rechtbank richt zich daarom bij de beoordeling van het beroep alleen op wat eiser concreet tegen het besluit heeft aangevoerd en zal daar, voor zover van belang, hierna op ingaan. Adequate opvang
- Eiser heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de minister het bestaan van adequate opvang in de DRC niet zorgvuldig en niet in overeenstemming met het arrest TQ heeft onderzocht en hem daarom ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Eiser heeft gesteld dat het iMMO-rapport onderbouwt dat hij in 2017 niet coherent, compleet en consistent heeft verklaard. Uit dit rapport kan ook indirect worden afgeleid dat een opvanghuis niet adequaat was geweest voor eiser vanwege zijn mentale kwetsbaarheid. Eiser verzoekt de minister om het besluit van 17 juli 2017 te heroverwegen gelet op het gebrek aan adequate opvang destijds, te onderzoeken of aan eiser een verblijfsrecht volgens het AMV-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen en te onderzoeken of eiser (daarom) alsnog in aanmerking komt voor een voortgezet verblijfsrecht. Daarbij wijst eiser op rechtsoverweging 4 van de Afdelingsuitspraak van 13 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- Verzoek tot heroverweging, arrest TQ en IB 2023/41 8.
- In deze zaak heeft eiser zowel een verzoek tot heroverweging gedaan als een opvolgende aanvraag ingediend. Het verzoek om bestuurlijke heroverweging moet worden onderscheiden van een opvolgende asielaanvraag. Een verzoek tot bestuurlijke heroverweging doet zich voor als een vreemdeling betoogt dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd. In dit geval geeft volgens eiser het arrest TQ aanleiding om te onderzoeken of het besluit van 17 juli 2017 moet worden heroverwogen omdat er destijds geen onderzoek is gedaan naar adequate opvang. De rechtbank zal daarom opnieuw oordelen over de eerste asielaanvraag. Uit het arrest TQ en de uitspraken van de Afdeling waarin uitleg wordt gegeven aan dat arrest volgt dat de minister, voordat hij een terugkeerbesluit uitvaardigt tegen een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind en dat de minister in dat kader zich ervan dient te overtuigen dat er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. 8.1.
- De minister heeft invulling gegeven aan het arrest TQ en voornoemde uitspraken van de hoogste bestuursrechter in het Informatiebericht 2023/41 (IB 2023/41). Hieruit volgt dat er sprake is van adequate opvang als: in het land van herkomst van eiser in het algemeen sprake is van adequate opvang op basis van het landenbeleid in hoofdstuk C7 Vc 2000 dan wel op basis van informatie van de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V); óf in het geval eiser specifieke informatie heeft gegeven over zijn ouders of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor hem en bereid zijn deze zorg te gaan dragen, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. Opvanghuis adequate opvang? 8.
- Voor de vraag of er in de DRC voor eiser adequate opvang aanwezig was, moet de minister met terugwerkende kracht de periode vanaf eisers asielaanvraag medio 2016 tot aan zijn achttiende verjaardag op [datum] 2018 in ogenschouw nemen. Daarbij is dus doorslaggevend of deze opvangvoorziening ook toen al aanwezig was. De rechtbank stelt vast dat de minister onderzoek heeft gedaan naar zowel opvang bij familie als opvang in een opvanghuis. Daarbij ligt voor de hand – gelet op de belangen van het kind – dat verblijf bij familie de voorkeur verdient boven adequate opvang op andere wijze. In deze zaak is echter duidelijk dat eiser niet terug wilde naar zijn familie, zodat de rechtbank eerst zal onderzoeken of de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er adequate opvang was in de vorm van een opvanghuis. In dat kader heeft de minister verwezen naar het ambtsbericht van de DRC 2016 paragraaf 2.4.6 van pagina 86 (het ambtsbericht). Uit het ambtsbericht blijkt dat er ten tijde van het eerste besluit, meerdere particuliere opvanghuizen beschikbaar waren die werden geleid door niet-gouvernementele organisaties of religieuze organisaties. Voorbeelden zijn Don Bosco, SOS kinderdorpen, het Mama Koko ziekenhuis in Kimbondo, het Maison de l’Espoir en de Foyer Ek'Abana. Uit voornoemd ambtsbericht volgt ook dat de omstandigheden in de opvanghuizen, gemeten naar lokale maatstaven, acceptabel zijn. De grotere opvanghuizen boden zelfs lager-, voortgezet- en vakonderwijs voor kinderen aan die dit niet zelf kunnen betalen. Gelet hierop heeft de minister wel degelijk met terugwerkende kracht onderzoek gedaan naar adequate opvang en kunnen vaststellen dat deze er was in de vorm van opvanghuizen. Daarom gaat de verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 13 januari 2023 rechtsoverweging 4 niet op. In die zaak kon de minister, anders dan in deze zaak, niet toelichten waarom het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond of nog moest plaatsvinden. 8.
- De rechtbank is verder van oordeel dat de minister, anders dan eiser stelt, niet gehouden was ook onderzoek te doen naar de daadwerkelijke beschikbaarheid in de opvanghuizen. Uit de uitspraken van de Afdeling volgt namelijk dat de aard, omvang en duur van het onderzoek naar adequate opvang van geval tot geval kan verschillen. Dat betekent dat de minister in de ene zaak eerder aanleiding kan zien om nader onderzoek te doen naar de opvangplek, dan in de andere zaak. De minister heeft zich gelet hierop niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, anders dan in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Noord-Holland van 8 juni 2023, eisers situatie geen aanleiding heeft gegeven tot nader onderzoek. Het standpunt van eiser dat zijn mentale kwetsbaarheid maakt dat hij niet in een opvanghuis had kunnen verblijven, gaat niet op. Hoewel eiser ter onderbouwing van dit standpunt naar het iMMO-rapport heeft verwezen, volgt de rechtbank het standpunt van de minister dat het iMMO-rapport niet ingaat op dit aspect. Het beantwoordt slechts de vraag of eiser coherent, volledig en consistent heeft kunnen verklaren gelet op zijn post traumatische stress stoornis (PTSS). Het feit dat eiser lijdt aan PTSS, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om te concluderen dat eiser niet terecht had gekund bij een opvanghuis. Daarnaast heeft eiser meerdere artikel 64 Vw -aanvragen ingediend en zijn deze afgewezen, omdat er geen medische noodzaak was voor eiser om in Nederland te verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ook dit gegeven kunnen betrekken bij het standpunt dat eisers geestelijke gezondheid niet in de weg stond aan plaatsing in één van de voormelde opvanghuizen als adequate opvang. Ook eisers verklaring ter zitting dat hij de aangeboden opvanghuizen destijds niet geschikt vond vanwege hun veiligheid en omdat deze voor wezen waren bedoeld en hij geen wees is, heeft geen aanleiding hoeven geven voor nader onderzoek. De gestelde onveiligheid is immers niet met stukken onderbouwd of anderszins gemotiveerd, terwijl uit het ambtsbericht hierover niets is gebleken. Uit het ambtsbericht blijkt verder dat ook niet-wezen konden worden opgevangen in de opvanghuizen, zodat eiser hier terecht had gekund. 8.
- Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet (alsnog) in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van het AMV-buitenschuldbeleid en dat de minister in de vraag of er adequate opvang was geen beletsel heeft hoeven zien voor het opleggen van het terugkeerbesluit. Eiser had ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit bij besluit van 17 juli 2017 immers geen rechtmatig verblijf in Nederland dan wel in een andere lidstaat van de Europese Unie. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) was de minister in dat geval gehouden een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet. 8.
- De adequate opvang bij familie behoeft dus verder geen bespreking. Dat geldt ook voor de verslagen van DT&V die volgens de minister aantonen dat eiser niet heeft willen meewerken aan zijn terugkeer en zien op het subsidiaire standpunt van de minister. Gelet hierop hoeft de rechtbank de vraag of deze stukken te laat en dus in strijd met de goede procesorde zijn ingediend, niet meer te beantwoorden. Kosten iMMO-rapport
- Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister de kosten van het iMMO-rapport dient te betalen. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij deze kosten niet hoeft te betalen nu het iMMO-rapport niet tot een andere uitkomst van het besluit heeft geleid. 9.
- De rechtbank overweegt dat eiser in het beroepschrift niet heeft toegelicht waarom het bestreden besluit op dit punt niet juist is, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om het standpunt van de minister niet te volgen. De beroepsgrond slaagt niet. Terugkeerbesluit en 8 EVRM
- Eiser heeft zich ten aanzien van de afwijzing van de opvolgende aanvraag op het standpunt gesteld dat de minister bij het handhaven van het terugkeerbesluit aan artikel 8 EVRM had moeten toetsen voordat hij naar het terugkeerbesluit – zie besluit van 17 juli 2017 – kon verwijzen. Volgens eiser volgt dit uit de arresten Ararat en X tegen Nederland. Ter zitting heeft eiser aan dit standpunt toegevoegd dat ook het LH-arrest bij deze beoordeling betrokken moet worden. 10.
- De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank volgt niet het standpunt dat de minister bij het handhaven van het terugkeerbesluit in een opvolgende aanvraag ambtshalve had moeten beoordelen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM en verwijst in dat kader naar artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb
- Het standpunt van eiser dat uit de arresten Ararat, X tegen Nederland en L.H. is af te leiden dat de minister ook in een opvolgende aanvraag opnieuw aan artikel 8 EVRM moet toetsen gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De rechtbank is met de minister van oordeel dat uit het Ararat-arrest niet is op te maken dat de minister een geactualiseerde beoordeling op grond van artikel 8 van het EVRM moet maken. Het Ararat-arrest ziet alleen op de geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement. Daaraan heeft de minister voldaan. Nu eiser desgevraagd noch in het Ararat-arrest, noch in het L.H. arrest de rechtsoverwegingen heeft kunnen noemen die eisers standpunt onderbouwen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het standpunt van de minister, niet te volgen. Inreisverbod en 8 EVRM
- Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister niet heeft getoetst aan artikel 8 EVRM bij het opleggen van het inreisverbod. De minister heeft terecht naar het bestreden besluit verwezen waaruit blijkt dat de minister aan artikel 8 EVRM heeft getoetst op pagina
- De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
- Het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen door de minister is niet-ontvankelijk. Omdat niet is bestreden dat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,–), bij een wegingsfactor 0,
- Toegekend wordt € 453,
- 12.
- Omdat het inhoudelijke beroep ongegrond is, krijgt eiser geen vergoeding van het betaalde griffierecht of van zijn proceskosten voor dat deel van het beroep. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser niet- ontvankelijk; veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser; verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit van 22 november 2022 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.R. Davila Talavera, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 maart 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:EU:C:2021:9 Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021 ECLI:NL:RVS:2021:1430 onder verwijzing naar de uitspraak van 22 juni 201611ECLI:NL:RVS:2016:
- Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530; ECLI:NL:RVS:2022:1531 en ECLI:NL:RVS:2022:
- Zie bijvoorbeeld Radio Okapi, Mbandaka: prise en charge des enfants orphelins vulnérables, 6 juli
- Don Bosco heeft opvangcentra in Kinshasa, Mbuji Mayi, Kananga, Lubumbashi, Tshikapa, Goma en andere plaatsen. Voor meer voorbeelden verwijst het Algemeen ambtsbericht DRC naar de versie van december
- Uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
- ECLI:NL:RBNHO:2023:
- Arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:
- Arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:
- Arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.