RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.44503 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet in de zaak tussen [Opposant] , opposant V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. T.M. van der Wal), en de Minister van Asiel en Migratie geopposeerde Inleiding
- Bij besluit van 11 november 2024 heeft verweerder de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. 1.
- Opposant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 31 december 2024 (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard. 1.
- Opposant heeft tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend. 1.
- Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari
- Opposant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Geopposeerde is evenmin verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Opposant stelt de Oekraïense nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum]
- Hij heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Opposant is op 14 januari 2025 overgedragen naar Polen. Wat heeft de rechtbank in bestreden uitspraak geoordeeld?
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft in de bestreden uitspraak - kort samengevat - geoordeeld dat verweerder niet gehouden was om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. Opposant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Pools asiel- en opvangsysteem zodanige tekortkomingen kent dat overdracht naar Polen een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest met zich meebrengt. Ook heeft opposant niet onderbouwd dat klagen bij de Poolse autoriteiten of andere instanties bij problemen onmogelijk of zinloos zou zijn. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet waarom Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het overnameverzoek tijdig aan de Poolse autoriteiten heeft toegezonden. Tot slot heeft rechtbank geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder was gehouden gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid genoemd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Wat vindt opposant in verzet?
- Opposant betoogt - kort samengevat - dat de aangevallen uitspraak op onjuiste gronden tot stand is gekomen en is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Opposant is van mening dat de rechtbank in rechtsoverweging 6 ten onrechte heeft overwogen dat verweerder in het voornemen heeft kunnen volstaan met een standaardmotivering. Volgens opposant kan wel gesteld worden dat er sprake is van fundamentele systeemfouten ten aanzien van de asielprocedure in Polen en ten aanzien van het Pools overheidsoptreden. Verder betoogt opposant dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt na overdracht aan Polen gedetineerd te worden dat een detentie gelet op de slechte detentieomstandigheden in Polen leiden tot een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. Tot slot beroept opposant zich op de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 (ELCI:NL: RVS:2024:3455) en heeft in dat kader aangevoerd dat het algemeen bekend is dat de situatie in Polen met betrekking tot de asielprocedure en de opvang niet goed is. Wat is het toetsingskader bij verzet?
- Bij verzet oordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van opposant buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Als opposant kan onderbouwen dat het beroep niet zonder zitting afgedaan mocht worden bij de bestreden uitspraak, kan het verzet gegrond verklaard worden. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaar zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. Wat is het oordeel van de rechtbank over het verzet?
- In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 31 december
- De rechtbank heeft de gronden die door opposant naar voren zijn gebracht voldoende zorgvuldig beoordeeld en de uitspraak van 31 december 2024 juist gemotiveerd. Conclusie en gevolgen
- Gelet op het voorgaande is het verzet ongegrond. Dat betekent dat de eerdere uitspraak van 31 december 2024 in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. K. El Mahsini, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.