Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Parketnummer: 09/088173-24 Raadkamernummer: 25-004050 Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van: [de veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ( [land] ), woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M. van Olffen, advocaat, te Zonnekruid 28, 2631 WE, Nootdorp, (hierna: de veroordeelde). De procedure in raadkamer De rechtbank heeft dit bezwaar op 13 mei 2025 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer. De veroordeelde, bijgestaan door mr. M. van Olffen, is in raadkamer gehoord. Ook de officier van justitie, mr. R. Brugman, is gehoord. Inleiding Bij vonnis van 5 november 2024 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van mishandeling tot een werkstraf voor de duur van 20 dagen. Bij beslissing van 17 december 2024 heeft de officier van justitie de afname van celmateriaal bevolen ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Deze afname heeft plaatsgevonden op 3 februari 2025. De veroordeelde heeft op 11 februari 2025 het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA ingediend bij de griffie van deze rechtbank. Het bezwaar De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. Ter onderbouwing van het bezwaar is aangevoerd dat aan de veroordeelde een beroep toekomt op een uitzonderingsgrond zoals bedoeld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. De veroordeelde was net meerderjarig, maar bij zijn veroordeling is het jeugdstrafrecht is toegepast. De veroordeelde is lange tijd gepest door een medeleerling. Nadat hij meerdere malen werd uitgedaagd, heeft hij uiteindelijk een klap gegeven. Met de veroordeelde gaat het nu goed. Hij volgt een MBO opleiding elektrotechniek en is niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Daarnaast blijkt uit de rapportage van de reclassering dat het risico op herhaling als laag wordt bestempeld. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het DNA op de juiste wijze is afgenomen en zich geen uitzonderingsgrond voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Het bezwaar dient ongegrond te worden verklaard. Het oordeel van de rechtbank Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet. Artikel 2 van de Wet DNA bepaalt dat geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Het is vaste jurisprudentie dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de genoemde uitzonderingsgronden, die beperkt moeten worden uitgelegd. Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat op basis van de Wet DNA bij de belangenafweging geen onderscheid tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijk generieke uitzondering ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) kan worden ontleend. Wel kan de rechter de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was, betrekken in zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’. De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde in dit geval een beroep toekomt op één van de genoemde uitzonderingsgronden. Zij betrekt daarbij dat bij de veroordeling het jeugdstrafrecht is toegepast en het recidivegevaar zeer beperkt lijkt te zijn. Dit laatste leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de veroordeelde niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld en er ook geen aanwijzingen bestaan voor nadien door hem gepleegde misdrijven, in samenhang bezien met het rapport van Reclassering van 20 augustus 2024 waarin het recidivegevaar wordt ingeschat als laag. De aard van het door de veroordeelde gepleegde strafbare feit betreft naar het oordeel van de rechtbank een jeugdzonde, een enkele klap uitgedeeld aan een medeleerling op school naar aanleiding van jarenlange pesterijen. Beslissing De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond. Aldus gedaan te Den Haag door mr. N.F.R. de Rooij, rechter, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Schuijt, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.