← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:12795

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-4618 Zaaknummer: C/09/668675 Datum beschikking: 12 juni 2025 Omgang Beschikking op het op 1 juli 2024 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F.R.G. Drenth in Baarn. Als belanghebbenden worden aangemerkt: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, de voogdes, hierna: Jbw. [pleegvader] en [pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van 13 augustus 2024, met bijlagen, van de zijde van de vader; het verweerschrift. De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. Op 15 mei 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat; Jbw; de pleegmoeder. Feiten De vader heeft een affectieve relatie gehad met [de moeder] . Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] . De vader heeft de kinderen erkend. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de pleegouders. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 juli 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 19 juli 2024 en voor dezelfde duur is de machtiging verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Bij beschikking van 17 november 2023 van de kinderrechter van deze rechtbank is het ouderlijk gezag van beide ouders over beide kinderen beëindigd en is Jbw tot voogdes benoemd. Bij beschikking van 10 april 2024 van het gerechtshof Den Haag is voornoemde beschikking bekrachtigd voor zover het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarigen daarbij is beëindigd. Verzoek en verweer De vader verzoekt de rechtbank te bepalen: dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de kinderen twee weekenden per maand, van vrijdag tot zondag, bij de vader verblijven; ofwel dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld welke in ieder geval ruimer is dan één overnachting per maand. Jbw heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen, dan wel het recht op omgang, al dan niet voor bepaalde tijd, ontzeggen. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is het volgende gebleken. Nadat er sprake was van een zeer complexe samenwerking tussen de vader en LET Jeugdbescherming, die eerder de ondertoezichtstelling uitvoerde, is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan Jbw. Ook met Jbw loopt de samenwerking moeizaam, omdat de vader weigert met Jbw in gesprek te gaan. Alle communicatie over de kinderen verloopt via de pleegouders. Op die manier is ook de omgang van de vader met de kinderen na het indienen van het verzoekschrift uitgebreid van één keer in de maand een nacht naar één keer in de maand een weekend, van vrijdag tot zondag. De vader wenst de frequentie verder uit te breiden naar twee keer per maand, zodat hij een grotere vaderrol kan vervullen en zijn band met de kinderen gewaarborgd blijft. De vader voert aan dat de huidige regeling goed verloopt en dat er geen contra-indicaties zijn voor verdere uitbreiding van de omgang. Jbw betwist niet dat de huidige omgangsregeling goed verloopt, maar is van mening dat een verdere uitbreiding van de omgang met de vader niet in het belang van de kinderen is. Volgens Jbw is een omgang van twee keer per maand een weekend bij de vader niet haalbaar, omdat de kinderen ook een omgangsregeling met de moeder hebben, evenals omgang met andere familieleden en (sport)activiteiten. Jbw vindt het daarbij van belang dat de kinderen ook rustige weekenden thuis bij de pleegouders hebben. De rechtbank zal de verzoeken van de vader afwijzen. De rechtbank kan begrijpen dat de vader de kinderen meer wil zien, maar de rechtbank volgt de opvatting van Jbw dat het nu niet in het belang van de kinderen is om vaker naar de vader te gaan met het oog op hun andere activiteiten en omgangsregeling(en). De rechtbank merkt daarbij nog het volgende op. De vader heeft het geluk dat de pleegouders bereid zijn met hem in overleg te treden over de invulling van de omgang en de rechtbank spreekt te dien aanzien haar waardering uit voor de pleegouders. De vader moet zich echter realiseren dat de regie voor uitbreiding van de omgang bij Jbw ligt en dat Jbw de partij is met wie hij in gesprek zal moeten als hij iets wil wijzigen aan de omgangsregeling. Jbw heeft op de zitting aangegeven altijd bereid te zijn om met de vader in gesprek te gaan. Het is dus aan de vader om zijn wensen met Jbw te bespreken. Zolang vader niet met Jbw in gesprek wenst te gaan, kan een eventuele uitbreiding dan ook niet aan de orde komen. Beslissing De rechtbank: wijst de verzoeken van de vader af. Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.