← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:12912

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-6437 Zaaknummer: C/09/672116 Datum beschikking: 11 maart 2025 Vaststelling van vermissing Beschikking op het op 8 april 2024 bij de rechtbank Limburg ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, tevens in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] , advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus te Sittard (gemeente Sittard-Geleen). betreffende het overlijden van: [betrokkene] , de betrokkene, laatstelijk verblijvende te [land] . Als belanghebbenden worden aangemerkt: [belanghebbende 1] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [belanghebbende 2] , wonend, op een bij de rechtbank bekend adres buiten Nederland, [belanghebbende 3] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [belanghebbende 4] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [belanghebbende 5] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, de meerderjarige kinderen van verzoeker en betrokkene. Procedure Bij beschikking van 23 augustus 2024 heeft de rechtbank Limburg, locatie Maastricht zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en is de zaak verwezen naar deze rechtbank. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het F9-formulier van verzoeker van 10 oktober 2024, met bijlage; - het F9-formulier van verzoeker van 12 november 2024, inhoudende de instemmingsverklaringen van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] , [belanghebbende 4] en [belanghebbende 5] ; - het F9-formulier van verzoeker van 14 november 2024, inhoudende een instemmingsverklaring van [belanghebbende 2] ; - de schriftelijke conclusie van de officier van justitie van 31 december 2024; - het F9-formulier van verzoeker van 20 januari 2025, met bijlage. Verzoek Het verzoekschrift strekt ertoe: - primair: voor recht te verklaren dat betrokkene is overleden en het huwelijk van verzoeker en betrokkene dientengevolge is ontbonden; - subsidiair: dat de rechtbank zal gelasten de betrokkene op te roepen teneinde van haar in leven zijn te doen blijken, en, zo hiervan niet blijkt, de vermissing van de betrokkene zal vaststellen; voor recht te verklaren dat verzoeker eenhoofdig is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met aantekening daarvan in het gezagsregister; - meer subsidiair: de man te belasten met het gezag over de kinderen; voor zover het bestaan van betrokkene ongewis is, het gezag van betrokkene te schorsen; althans een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht, een ander voor zover mogelijk met uitvoerbaar verklaring bij voorraad. Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht De rechtbank is op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd van de voorliggende verzoeken kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe. Relatieve bevoegdheid Op grond van artikel 267 Rv is in zaken van afwezigheid of vermissing de rechter van de verlaten woonplaats van de betrokkene bevoegd. Omdat de vrouw nooit in Nederland is geweest en hier dus geen verlaten woonplaats heeft, is op grond van artikel 269 Rv onderhavige rechtbank relatief bevoegd. Inhoudelijke beoordeling Verklaring van overlijden (artikel 1:426 BW) Primair is verzocht om een vaststelling van het overlijden van betrokkene, zoals opgenomen in artikel 1:426 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit lid 2 van dit artikel volgt dat ingeval een persoon buiten Nederland is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, de rechtbank kan verklaren dat die persoon is overleden. Echter, om deze verklaring te kunnen doen, is vereist dat het overlijden heeft plaatsgevonden op een Nederlands schip of in een Nederlands vliegtuig, de overledene Nederlander was of zijn/haar woon- of verblijfplaats in Nederland had. Zoals ook door de officier van justitie is benoemd, is een verklaring van overlijden in dit geval niet mogelijk, omdat geen van de drie genoemde mogelijkheden in dit geval van toepassing is. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. Vaststelling vermissing (artikel 1:413 BW) Uit artikel 1:413 BW volgt dat indien het bestaan van een persoon onzeker is, dan kan de rechtbank op verzoek van belanghebbenden verzoeken dat de betrokkene wordt opgeroepen op van zijn of haar leven te doen blijken. Indien hiervan niet blijkt, kan de vermissing van betrokkene worden vastgesteld. Daarvoor is ook vereist dat een periode van vijf jaar is verstreken, te rekenen van de laatste tijding van het leven een betrokkene. Deze termijn wordt verkort tot één jaar ingeval de omstandigheden het overlijden van de betrokkene waarschijnlijk maken. De vaststelling van de vermissing heeft de rechtsgevolgen van een overlijden, zo volgt uit artikel 1:414 lid 5 BW. Uit de overgelegde stukken is het volgende gebleken. Verzoeker is in 1991 in [land] gehuwd met betrokkene. Uit huwelijk van verzoeker en betrokkene zijn zeven kinderen geboren, waarvan nog twee minderjarig zijn. De oudste zoon van verzoeker en betrokkene, [belanghebbende 3] , is in 2014 naar Nederland gekomen. Nadien is door hem een aanvraag tot gezinshereniging gedaan, waardoor verzoeker en de overige kinderen naar Nederland zijn nagereisd. Voordat dit verzoek werd ingewilligd is betrokkene op [dag 1] 2017 te Eritrea overleden, in aanwezigheid van vier van de kinderen. In de basisregistratie personen (BRP) staat verzoeker echter nog altijd opgenomen als gehuwd. Verzoeker beschikt niet over een akte van overlijden, zodat het niet mogelijk is om zijn huwelijkse staat in de BRP te wijzigen. Het overlijden van betrokkene volgt wel uit een door verzoeker overgelegde brief aan de IND, waarin het verzoek tot gezinshereniging ten aanzien van betrokkene wordt ingetrokken, het aanmeldgehoor van verzoeker bij de IND en een bekendmakingsbrief van het overlijden van betrokkene aan [belanghebbende 1] , omdat zij destijds in militaire dienst zat. Deze bescheiden zijn echter niet gelijk te stellen met een overlijdensakte, zodat het overlijden van betrokkene niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat nog in leven zijn van betrokkene (zeer) onzeker is. De rechtbank zal betrokkene oproepen voor de in het dictum te bepalen zitting om van haar in leven zijn te doen blijken. De rechtbank zal dit doen door plaatsing van de oproeping voor deze zitting in de Staatcourant en de Telegraaf. Als betrokkene niet verschijnt, of iemand voor haar opkomt die behoorlijk van het leven zijn van betrokkene doet blijken, dan zal de rechtbank overgaan tot het verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van betrokkene bestaat. Verzoeker en belanghebbenden hoeven niet op deze zitting te verschijnen. Omdat de mogelijke zitting plaatsvindt na [dag 2] 2007 zal [minderjarige 1] meerderjarig zijn en zal van haar ook een instemmingsverklaring moeten worden ingestuurd. De rechtbank verzoekt de advocaat dit alsnog te doen. Beslissing De rechtbank: zal overgaan tot oproeping van [betrokkene], geboren op 00-00-1980 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] , laatstelijk bekend adres: gemeente/regio [gemeente] , [land] , voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 12 mei 2025 om 13:15 uur om van haar in leven zijn te doen blijken. Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 maart 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.