← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:13115

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30733 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M. Taheri), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: [gemachtigde]). Procesverloop Verweerder heeft op 16 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. De rechtbank heeft op 10 juli 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 17 juli

  1. Overwegingen
  2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Libische nationaliteit te hebben.
  3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
  4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 6 mei 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
  5. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië ontbreekt. Er is een LP-aanvraag verstuurd naar de Libische autoriteiten, maar eiser heeft aangegeven hier niet aan mee te zullen werken. Verder werkt verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting nu geen inzicht is in de duur van het proces om eiser uit te zetten.
  6. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Libië in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. De Afdeling heeft dit recentelijk bevestigd. Verder blijkt uit het voortgangsrapport dat verweerder regelmatig rappelleert bij de Libische autoriteiten, laatstelijk op 4 juli
  7. Ook voert verweerder regelmatig vertrekgesprekken met eiser, zodat de rechtbank van oordeel is dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Op eiser rust de verplichting om voldoende medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Nu hij aangeeft dit niet te zullen doen en niet heeft meegewerkt aan de presentatie bij de Libische ambassade, komt het dan ook voor zijn rekening en risico dat de maatregel van bewaring nog altijd voortduurt.
  8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
  9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep ongegrond; en  wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
  11. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3070.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.