Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 23-8454 (echtscheiding) FA RK 24-8197 (verdeling) Zaaknummer: C/09/657168 (echtscheiding), C/09/675717 (verdeling) Datum beschikking: 15 mei 2025 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 13 november 2023 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, blijkens de Basisregistratie Personen wonende op een bij de rechtbank bekend adres, feitelijk verblijvende op een adres buiten Nederland, advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam (voorheen: mr. M. Schreuders). Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. de Geus te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het F9-bericht van de vrouw van 16 augustus 2024; - het F9-bericht van de man van 3 september 2024; - het aanvullend verzoek van de vrouw van 9 oktober 2024; - het aanvullend verzoek van de man van 10 oktober 2024; - het verweer op aanvullend verzoek van de man van 7 november 2024; - het verweer op aanvullend verzoek van de vrouw van 7 november 2024; - het F9- bericht van de man van 14 maart 2025, met bijlagen; - het F9-bericht van de vrouw van 17 maart 2025, met bijlagen; - het F9-bericht van de vrouw van 25 maart 2025, met bijlage. Op 27 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, K. van Liemt; de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, R.M.L. de Martis. Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Bij aanvang van de zitting heeft de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een alimentatie voor de jong-meerderjarige [de jong-meerderjarige] ingetrokken. Feiten Partijen zijn gehuwd op [datum] 2003 te [plaats 1] . Zij zijn de ouders van de volgende, inmiddels meerderjarige kinderen: [de meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ; [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] ; De man en de vrouw hebben beiden de Italiaanse nationaliteit. Deze rechtbank heeft op 17 oktober 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende: toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats 1] aan het [adres] , met het bevel dat de man de woning direct dient te verlaten; toevertrouwing van de (destijds) minderjarige [de jong-meerderjarige] aan de vrouw; vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.788,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; vaststelling van een door de man aan de vrouw voorlopige kinderalimentatie ten behoeve van [de jong-meerderjarige] van € 526,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. - Bij beschikking van 30 september 2024 van deze rechtbank is zijn de eerdere voorlopige voorzieningen gewijzigd, in die zin dat de man per 1 februari 2025 gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van voornoemde echtelijke woning. Verzoek en verweer Het verzoek, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 2.185,- bruto per maand, althans € 1.788,- bruto per maand, althans € 3.307,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand; vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw; bepaling dat de man gehouden om aan de vrouw te voldoen: de helft van de extra kosten van [de jong-meerderjarige] , gelijk aan een bedrag van € 2.638,-; de helft van de extra kosten van [de meerderjarige] , gelijk aan een bedrag van € 2.941,-; een bedrag van € 3.600,- wegens ten behoeve van de man door de vrouw verrichte betalingen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert op dit moment nog verweer tegen de verzochte partneralimentatie en verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man; - bepaling dat de vrouw gehouden is om een bedrag van € 315,60 aan de vrouw te voldoen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert – onder referte voor het overige – nog verweer tegen de verzochte verdeling en regresvorderingen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling I. Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van de man en de vrouw zich op het moment van de indiening van het verzoekschrift in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. Inhoudelijke beoordeling De man en de vrouw stellen over en weer dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken beiden om de echtscheiding uit te spreken. De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk staat dus in rechte vast, zodat de rechtbank de daarop steunende wederzijdse verzoeken tot echtscheiding, als op de wet en de feiten gegrond, zal toewijzen. Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen als nevenverzoek in de echtscheidingsprocedure. Door de vrouw is gesteld dat op grond van artikel 3 van het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (hierna: het Protocol), het recht van haar gewone verblijfplaats van toepassing is. De vrouw is eind januari 2025 terugverhuisd naar Italië, zodat Italiaans recht van toepassing is. De vrouw heeft ook een belang bij de toepassing van Italiaans recht op de alimentatie, omdat zij op basis hiervan langer recht heeft op een bijdrage in haar levensonderhoud. De man verzet zich tegen toepassing van het recht van de nieuwe gewone verblijfplaats van de vrouw en beroept zich op artikel 5 van het Protocol. Hieruit volgt dat kan worden aangesloten bij het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, indien dat nauwer verbonden is met het huwelijk. Hoewel de gewone verblijfplaats van de vrouw zich inmiddels in Italië bevindt, is de rechtbank met de man van oordeel dat het huwelijk van partijen nauwer verbonden is met Nederland. Daartoe neemt de rechtbank het volgende in overweging. Partijen zijn in Nederland gehuwd, zij hebben hier gedurende hun hele huwelijk gewoond en hun kinderen zijn hier geboren en opgegroeid. Naar oordeel van de rechtbank weegt deze verbondenheid zwaarder dan de terugkeer van de vrouw naar Italië, slechts één maand voor de zitting in onderhavige echtscheidingsprocedure. Dat partijen de Italiaanse nationaliteit hebben en regelmatig vakanties doorbrachten in Italië, zoals door de vrouw is betoogd, leidt niet tot een andere conclusie. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen op het verzoek tot partneralimentatie. Behoefte van de vrouw De vrouw heeft haar behoefte aan de hand van de Hofnorm gesteld op een bedrag van € 3.866,- netto per maand in 2023 (uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) voor scheiding van € 7.903,- per maand in 2023 en de kosten van de kinderen van € 1.460,- per maand). Geïndexeerd naar 2025 komt dit neer op een bedrag van € 4.372,- netto per maand. De man betwist dat de Hofnorm onverkort van toepassing is, omdat de vrouw inmiddels is verhuisd naar Brescia, Italië. De vrouw heeft aldaar een woning kunnen aanschaffen met een voorschot op de verdeling van het huwelijksvermogen en heeft daarom geen woonlasten. Verder zijn de kosten van levensonderhoud in Brescia, Italië lager dan die in Nederland, aldus de man. De man verwijst daarbij naar een als productie 21 overgelegde berekening van de vergelijkingswebsite van Numbeo, waaruit volgt dat het leven in Brescia gemiddeld 1,28 keer goedkoper is dan in [plaats 1] . De rechtbank ziet aanleiding om bij het bepalen van de behoefte van de vrouw inderdaad een correctie toe te passen op de Hofnorm, omdat de man met stukken heeft onderbouwd dat de kosten van levensonderhoud (en vooral de kosten van huisvesting) in Brescia, Italië inderdaad lager zijn dan in Nederland. Het had vervolgens op de weg van de vrouw gelegen om de door haar gestelde behoefte van nader te onderbouwen, maar de vrouw heeft dit nagelaten. De rechtbank zal de behoefte van de vrouw daarom vaststellen op (1/1.28 x 4.372 =) € 3.416,- netto per maand. Anders dan de man betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit bedrag te verminderen met een woonbudget van 30%, omdat de lagere woonlasten van de vrouw reeds in deze correctie zijn meegenomen. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat de vrouw weliswaar met een voorschot op de verdeling in Italië een woning heeft gekocht, maar dat zij op dit moment nog in een huurwoning woont, omdat de aangekochte woning nog moet worden verbouwd. De vrouw heeft dus ook daadwerkelijk woonlasten in Brescia, Italië. De rechtbank stelt de behoefte van de vrouw op grond van het voorgaande aldus vast op € 3.416,- netto per maand. Behoeftigheid Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven. De man betwist dat de vrouw behoeftig is. Hij voert ter onderbouwing daarvan aan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft om (grotendeels) in de hiervoor berekende aanvullende behoefte te voorzien, omdat zij op dit moment niet volledig werkt. Dat mag wel van haar worden verwacht, aldus de man. De rechtbank is – ongeacht de vraag of de vrouw bij een fulltime dienstverband volledig in de hiervoor berekende behoefte kan voorzien – van oordeel dat van de vrouw niet behoeft te worden verwacht dat zij meer gaat werken dan nu het geval is. De vrouw heeft, na het uiteengaan van partijen, binnen afzienbare tijd een baan gevonden, waarbij zij 30 uur per week werkt. Gedurende het huwelijk van partijen heeft zij een lange periode niet gewerkt, zodat – mede gelet op haar leeftijd – van haar niet behoeft te worden verwacht dat zij meteen fulltime gaat werken, zeker nu zij zich direct is gaan inspannen om eigen inkomen te genereren. Aanvullende behoefte Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.416,- per maand moet haar netto besteedbaar inkomen (NBI) in mindering worden gebracht. De vrouw heeft een inkomen uit loondienst uit haar baan in Italië van € 1.613,- bruto per maand. De vrouw heeft daarbij onweersproken gesteld dat dit moet worden vermeerderd met een dertiende en veertiende maand. Anders dan in Nederland, ontvangt de vrouw daarnaast niet apart een bedrag aan vakantiegeld. Bij de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van de Nederlandse belastingdruk, omdat voor de rechtbank niet te controleren is welke heffingskortingen of aftrekposten de vrouw mogelijk in Italië heeft. Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het NBI van de vrouw € 1.806,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.610,- netto per maand. Rekening houdend met het laagste tarief voor inkomstenbelasting in Italië, dat is 23%, komt dit neer op een bedrag van € 2.091,- bruto per maand. Draagkracht Partijen hebben overeenstemming over het gebruik van de jaaropgave van de man over 2024 als uitgangspunt voor de berekening van zijn draagkracht. Uit deze jaaropgave volgt een bruto jaarinkomen van € 152.804,-. Uitgaande van deze gegevens berekent de rechtbank het NBI van de man op € 7.253,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule toepassen. De rechtbank zal daarbij echter niet uitgaan van het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI. De rechtbank licht dat hieronder toe. De rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt dat het niet redelijk is om bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening te houden met het volledige woonbudget van (in dit geval) € 2.176,-, omdat hierna zal blijken dat zijn draagkracht dan niet voldoende zal zijn om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien, terwijl de man nog beschikt over een aanzienlijk vermogen, onder meer uit de verkoop van een woning in [plaats 1] die hij in privé-eigendom had en een omvangrijke nalatenschap. Hoewel door de man is betoogd dat het overgrote deel van zijn vermogen ‘vastzit in steen’, is ook gebleken dat de woning in [plaats 2] – die de man onlangs samen met zijn broer heeft geërfd - leeg staat en dat deze naar alle waarschijnlijkheid op termijn zal worden verkocht of verhuurd. Daarnaast heeft de man ook een behoorlijk geldbedrag geërfd. Naar oordeel van de rechtbank mag van de man worden verwacht dat hij uit dit vermogen (een deel van) zijn hypotheeklasten voldoet. De rechtbank zal in redelijkheid voor zijn resterende woonlasten uitgaan van een bedrag van € 500,- per maand. De rechtbank neemt daarom de volgende draagkrachtformule als uitgangspunt: 60% x [NBI – (500 + 1310)]. Dat leidt tot een draagkracht aan de zijde van de man van € 3.266,- per maand. Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de meerderjarige] en [de jong-meerderjarige] in mindering gebracht. Daarbij zal de rechtbank uitgaan van een bedrag van € 781,- per maand per kind, gelijk aan de norm die volgt uit de Wet Studiefinanciering. Hoewel de man met [de meerderjarige] en [de jong-meerderjarige] is overeengekomen dat hij hen maandelijks een hoger bedrag betaalt, zal de rechtbank uitgaan van voornoemd normbedrag. De rest dient de man te voldoen uit zijn vrije ruimte. De man heeft hier op de zitting mee ingestemd. Gelet op het voorgaande heeft de man heeft een draagkracht voor partneralimentatie beschikbaar van € 1.704,- netto per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 2.725,- bruto per maand. Dat betekent dat de man voldoende draagkracht heeft om in de hiervoor berekende aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen tot het bedrag van haar aanvullende behoefte, dat is € 2.091,- bruto per maand, en voor het overige afwijzen. Ingangsdatum Op grond van artikel 1:157 BW kan de partneralimentatie niet eerder ingaan dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal daarom met ingang van deze datum de partneralimentatie vaststellen. Afwikkeling huwelijksvermogensregime Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling. De rechtbank gaat bij de bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2003, zodat op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV 1978) van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat partijen voor het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen. Dit betekent dat de vraag naar het toepasselijke recht moet worden beantwoord op basis van de objectieve verwijzingsregel van artikel 4 HHV 1978. Op grond van dit artikel wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de staat op welk grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na huwelijk vestigen. Op deze hoofdregel bestaat echter een aantal uitzonderingen. Overeenkomstig één ervan, opgenomen in artikel 4, aanhef, lid 2, sub 2, onder a HHV 1978 wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, indien 1) die staat geen partij is bij het Verdrag, 2) die staat een zogenoemd nationaliteitsland is en 3) de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.