Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 24-1526 (scheiding) en FA RK 24-8520 (afwikkeling HV) Zaaknummers: C/09/662293 (scheiding) en C/09/676362 (afwikkeling HV) Datum beschikking: 5 juni 2025 Scheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 27 februari 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende te [woonplaats] , Oostenrijk, advocaat: mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden te Breda. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, zonder bekende woon- of verblijfplaats, waarschijnlijk verblijvende te [verblijfplaats] , Slowakije, advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlage; het aanvullend verzoekschrift, met bijlagen; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek, met bijlagen; - het F9-formulier van 5 maart 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 7 maart 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 13 juni 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 18 juni 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 2 september 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 24 september 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 4 december 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 7 maart 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; de brief van 17 maart 2025, met bijlage, van de zijde van de man. Op 18 maart 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de advocaat van de man. De man is niet in persoon op de zitting verschenen. Feiten - De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 1992 te [plaats 1] . - De man en de vrouw hebben – in ieder geval – de Nederlandse nationaliteit. - De man en de vrouw zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. - Deze rechtbank heeft op 6 mei 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang inhoudende dat: - de vrouw bij uitsluiting is gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , Oostenrijk, waarbij is bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; - de man met ingang van 6 mei 2024 voorlopig een partneralimentatie van € 9.395,- per maand aan de vrouw dient te betalen. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt, na wijziging, echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 9.395,- bruto per maand, bij vooruitbetaling vóór de eerste dag van iedere maand te voldoen, met ingang van deze beschikking; - de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen, conform het voorstel van de vrouw, althans op een wijze als door de rechtbank in goede justitie te bepalen; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien verzoekt de man zelfstandig: in incident: de rechtbank in Nederland onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het verzoek tot betaling van partneralimentatie, althans de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het verzoek tot betaling van partneralimentatie; de vrouw te veroordelen tot betaling van de proceskosten in incident aan de man; in de hoofdzaak de beschikking van 6 mei 2024 met zaakkenmerk C/09/663877 en rekestnummer FA RK 24-2278 in te trekken; de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in de onderhavige zaak, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen; bij wijze van zelfstandig verzoek: te bepalen dat de inkomens van partijen worden verdeeld conform het voorstel van de man; de vrouw te veroordelen tot afgifte van de goederen (productie 5) aan de man binnen 14 dagen na betekening van de door de rechtbank te wijzen beschikking; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Voorlopige voorzieningen Op grond van artikel 824, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken als de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of als bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorzieningen niet in stand kunnen blijven. Niet bij elke onjuistheid of onvolledigheid is wijziging van de voorziening mogelijk. Met het opnemen van de zinsnede ‘in zodanige mate’ en ‘alle betrokken belangen in aanmerking genomen’ heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan tot een wijziging of intrekking kan leiden. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid aan een streng criterium heeft willen binden. Zou dit anders zijn, dan zou een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kunnen worden gebruikt om een verzuim te herstellen of zou een verkapt hoger beroep mogelijk zijn, wat niet de bedoeling is. De man stelt dat de rechter in voorlopige voorzieningen volledig onterecht voorbij is gegaan aan het feit dat de Nederlandse rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot voorlopige partneralimentatie, nu de woonplaats van beide partijen in Oostenrijk is gelegen en er geen sprake is van een verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. De rechtbank had zich daarom bij de voorlopige voorzieningen ambtshalve niet bevoegd moeten verklaren. Daarnaast stelt de man dat in de voorlopige voorzieningenprocedure bij de berekening van de partneralimentatie Nederlandse wetgeving is toegepast, terwijl dit de Oostenrijkse wetgeving had moeten zijn, waardoor de partneralimentatie op onjuiste wijze is berekend. Verder had de rechter in voorlopige voorzieningen geen kennis van de inkomsten van de man en is er bij de berekening van de partneralimentatie uitgegaan van te hoge en onjuiste inkomstengegevens van de man, aldus de man. Het te betalen bedrag aan voorlopige partneralimentatie is om deze reden op een ondeugdelijke wijze tot stand gekomen. In de voorlopige voorzieningen is dus sprake van onjuiste en onvolledige gegevens, zodat de voorziening niet in stand kan blijven. De man stelt dan ook voor dat de rechtbank de getroffen voorziening, inhoudende dat hij voorlopig € 9.395,- per maand zou moeten voldoen aan de vrouw, intrekt, althans dat de rechtbank het bedrag op € 0,- bepaalt. De vrouw voert verweer. In de voorlopige voorzieningenprocedure is de bevoegdheid van de rechtbank al aan de orde gekomen en heeft de vrouw ook aangegeven dat zij meer binding heeft met Nederland. Verder heeft de man nagelaten in de voorlopige voorzieningen procedure inhoudelijk verweer te voeren, wat voor rekening en risico van de man zelf moet komen. Wat de man heeft aangevoerd kan in ieder geval niet leiden tot een intrekking van deze beslissing. Het is de vrouw volstrekt onduidelijk op welke juridische grondslag de man dit baseert. Dit klemt te meer omdat namens de man niet in zijn petitum om wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen is verzocht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het strenge criterium uit artikel 824 Rv, de stellingen van de man onvoldoende grond opleveren voor het wijzigen of intrekken van de eerdere voorlopige voorzieningen. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 6 mei 2024 is zowel de rechtsmacht van de rechtbank, als het toepasselijke recht aan de orde gekomen. Daarnaast heeft de rechtbank in de voorlopige voorzieningenprocedure overwogen dat de rechtbank, nu de man geen verweer heeft gevoerd, de verzoeken als niet weersproken zal toewijzen. Dat de man ervoor heeft gekozen om geen inhoudelijk verweer te voeren tegen het verzoek om een voorlopige partneralimentatie, komt voor zijn eigen rekening en risico. Daarbij kan de procedure tot wijziging of intrekking van de voorlopige voorzieningen niet worden gebruikt om een verzuim te herstellen. De rechtbank wijst gelet op het voorgaande het verzoek van de man tot intrekking van de voorlopige voorzieningen af. Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu beide echtgenoten in elk geval de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Inhoudelijke beoordeling De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is. Partneralimentatie Rechtsmacht De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht ten aanzien van het verzoek om partneralimentatie van de vrouw. Deze rechtsmacht is gebaseerd op de Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna aangeduid als: de Alimentatieverordening). De Alimentatieverordening is van toepassing op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit onder meer een huwelijk. Artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening bepaalt dat het gerecht dat rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding in die echtscheidingsprocedure ook rechtsmacht heeft ten aanzien van een nevenverzoek om partneralimentatie, tenzij de rechtsmacht uitsluitend is gebaseerd op de nationaliteit van een van de partijen. In dit geval is de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de echtscheiding gebaseerd op de nationaliteit van beide partijen, daarom komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. De rechtbank gaat, gelet op het voorgaande, voorbij aan de stelling van de man dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht zou hebben ten aanzien van het verzoek om partneralimentatie van de vrouw. Toepasselijk recht Tussen (ex-)echtgenoten geldt het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde (artikel 3), tenzij een van partijen daartegen bezwaar maakt en het recht van een andere Staat nauwer met het huwelijk verbonden is. De vrouw heeft in eerste instantie gesteld dat op haar verzoek tot partneralimentatie het Oostenrijkse recht van toepassing is, omdat zij als onderhoudsgerechtigde haar gewone verblijfplaats in Oostenrijk heeft. Nu stelt zij echter dat artikel 5 van het Protocol op de situatie van partijen van toepassing is, wat betekent dat Nederlands recht van toepassing is. Zij voert hiertoe aan dat beide partijen de Nederlandse nationaliteit hebben. Daarnaast zijn partijen in 1992 in Nederland getrouwd en zij hebben, tot het moment dat zij naar Oostenrijk verhuisden, altijd in Nederland gewoond. De vrouw is meer verbonden met de Nederlandse samenleving en de kans is groot dat zij, wanneer er meer zekerheid bestaat over de afwikkeling van de echtscheiding, zal terugverhuizen naar Nederland. De man voert verweer en stelt dat er geen nauwe verbondenheid is met het Nederlandse recht. De rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt. Partijen woonden het grootste deel van het huwelijk in Nederland. De vrouw is blijkens het uittreksel uit de Basisregistratie personen (Brp) pas in 2022 uitgeschreven uit de Brp, met als reden emigratie naar Oostenrijk. De man is al in 2014 uitgeschreven uit de Brp, maar heeft blijkens de Brp woonplaats gehad in verschillende landen, zoals het Verenigd Koninklijk, Oostenrijk en Slowakije. Daarnaast hebben partijen bij huwelijkse voorwaarden voor de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk gekozen voor het Nederlandse recht. Naar het oordeel van de rechtbank is het Nederlandse recht daarom nauwer verbonden met het huwelijk van partijen dan het Oostenrijkse recht. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie. Inhoudelijke beoordeling De vrouw stelt dat zij niet in staat is om (volledig) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Partijen hadden altijd een traditioneel rollenpatroon in hun huwelijk, waarbij de man het geld binnenbracht en de vrouw zorgde voor de kinderen en het huishouden. De totale behoefte van de vrouw bedraagt volgens haar behoeftespecificatie ongeveer € 10.000,- netto per maand. De vrouw heeft voor de bepaling van dit bedrag een overzicht gemaakt van haar maandelijkse reguliere lasten ten tijde van het huwelijk. De vrouw is onbekend met het huidige inkomen van de man. De vrouw heeft de man gevraagd om inzage te geven in zijn inkomen, maar de man weigert inzage te geven en stukken te overleggen. De man had, en heeft, verschillende ondernemingen. Partijen hebben zowel in als buiten Nederland in grote weelde geleefd. De vrouw heeft stukken overgelegd waaruit het uitgavenpatroon van partijen volgt. De vrouw rekent bij gebrek aan gegevens met een winst uit ondernemingen van € 300.000,- per jaar gebaseerd op de door haar overgelegde jaarstukken 2023 van de vennootschap [bedrijfsnaam 1] . Zij heeft een draagkrachtberekening gemaakt, waarbij is gerekend met de belastingtarieven in Slowakije. Uit deze draagkrachtberekening volgt dat de man in staat is om een partneralimentatie te betalen van € 9.395,- bruto per maand, aldus de vrouw. Nu de man geen openheid van zaken over zijn inkomen heeft gegeven, moet de man in staat worden geacht om deze bijdrage te betalen. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw, hij meent dat dit onvoldoende is onderbouwd. De man betwist alle door de vrouw opgevoerde kosten voor haar behoefte. Verder voert de man aan dat de vrouw heeft geweigerd om een baan te zoeken. Ook betwist de man de door de vrouw gestelde inkomsten; zijn inkomen is aanzienlijk lager en hij heeft geen draagkracht om de verzochte bijdrage te betalen. De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft nagenoeg geen stukken met betrekking tot zijn inkomen overgelegd, ook niet over de periode dat partijen nog samen waren. Het had op de weg van de man gelegen om de rechtbank te informeren over zijn inkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen, voor de bepaling van de behoefte van de vrouw, en over zijn huidige inkomen, voor de bepaling van zijn draagkracht, onder indiening van duidelijke bewijsstukken. De vrouw heeft op basis van de informatie en stukken die zij had zo goed als mogelijk geprobeerd een behoefte- en draagkrachtberekening te maken. De man heeft de stellingen van de vrouw over de hoogte van de partneralimentatie onvoldoende gemotiveerd betwist en heeft zonder gegronde redenen geen onderliggende bewijsstukken overgelegd. Ook ter zitting heeft de man desgevraagd geen inzage gegeven in zijn financiële positie en heeft hij alle door de rechtbank gestelde vragen over zijn inkomen onbeantwoord gelaten. De rechtbank oordeelt dat de vrouw haar alimentatieverzoek in het licht van het voorgaande afdoende heeft onderbouwd en dat het op de weg van de man had gelegen om zijn betwisting op deze punten deugdelijk te motiveren. Voor zover de man een draagkrachtverweer voert, liggen de stelplicht en de bewijslast bij hem. Naar het oordeel van de rechtbank is de man noch in zijn betwisting, noch in zijn draagkrachtverweer geslaagd. Hij heeft geen relevante financiële gegevens overgelegd en zijn standpunten zijn niet op basis van toetsbare en inzichtelijke gegevens onderbouwd. Dit komt voor rekening en risico van de man. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie van € 9.395,- bruto per maand toe. Afwikkeling huwelijksvermogen Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen. Gelet op de huwelijksdatum van de echtgenoten – [datum] 1992 – moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime beslist worden door toepassing van de in het Chelouche/Van Leer-arrest (HR 10 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AE1063) geformuleerde conflictregels. Uit de aanknopingsladder van het arrest volgt dat een rechtskeuze door de echtgenoten vóór het huwelijk prevaleert. Blijkens de huwelijkse voorwaarden hebben de echtgenoten voor het huwelijk een rechtskeuze voor Nederlands recht uitgebracht. De rechtbank zal dan ook Nederlands recht toepassen op het huwelijksvermogensregime tussen de man en de vrouw. De rechtbank gaat gelet op het voorgaande voorbij aan het standpunt van de man dat Oostenrijks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime tussen de man en de vrouw. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden onder meer in: VERMOGEN: “1: tussen de echtgenoten zal generlei gemeenschap van goederen bestaan. […] KOSTEN VAN DE HUISHOUDING; PREMIES LEVENSVERZEKERING:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.