← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:13252

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL24.37239 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] (hierna: eiser), V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. A. Habib-Portier) en de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. D. van Hout). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de weigering van de minister om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen. Eiser wil in Nederland bij [naam] (hierna: referent) verblijven.
  2. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 27 maart 2023 afgewezen.
  3. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2024 op eisers bezwaar is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft zij het bezwaar ongegrond verklaard.
  4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
  5. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
  6. De minister heeft met een verweerschrift gereageerd op het beroep.
  7. De rechtbank heeft het beroep op 24 januari 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Totstandkoming van het besluit
  8. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 2008 en woont in Eritrea. Referent is geboren op [geboortedag 2] 1988 en woont in Nederland. Beiden hebben de Eritrese nationaliteit. Referent heeft sinds 13 augustus 2021 een asielvergunning in Nederland. Referent zegt dat eiser zijn neefje/pleegkind is. Op 2 november 2021 heeft referent voor eiser een mvv aangevraagd. Beoordeling door de rechtbank
  9. De rechtbank beoordeelt of de minister eisers aanvraag heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van eisers beroepsgronden.
  10. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft. Nareisaanvraag?
  11. De rechtbank stelt voorop dat de minister de voorliggende mvv-aanvraag heeft aangemerkt als een aanvraag op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM; ook wel genoemd: een reguliere aanvraag) en niet mede als een nareisaanvraag. De minister heeft deze reguliere aanvraag analoog getoetst aan werkinstructie 2022/
  12. Die werkinstructie is geschreven voor nareiszaken, maar analoog van toepassing op reguliere aanvragen in het kader van gezinshereniging waarvan de referent een houder is van een verblijfsvergunning asiel. Die analoge toepassing volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:969, waarin het volgende is overwogen: “
  13. In de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245, heeft de Afdeling het beoordelingskader in nareiszaken uiteengezet en genuanceerd. De kern van het beoordelingskader dat in die uitspraak is opgenomen is dat de staatssecretaris alle documenten - ongeacht hun aard of status - in onderlinge samenhang bij zijn beoordeling moet betrekken, ongeacht of er bewijsnood bestaat. Wel mag de staatssecretaris - gemotiveerd - aan de overgelegde documenten een verschillende bewijswaarde toekennen en belang hechten aan verklaringen die een vreemdeling voor het ontbreken van documenten heeft gegeven. Hoewel de nu voorliggende zaak geen nareiszaak is, is wat in die uitspraak is overwogen over het beoordelingskader en de beschikbaarheid van Eritrese documenten hier ook relevant. De Gezinsherenigingsrichtlijn is namelijk van toepassing op referent en hij is in het bezit van de vluchtelingenstatus. Daardoor moet de staatssecretaris ook in de huidige reguliere procedure invulling geven aan de gunstiger voorwaarden van de Gezinsherenigingsrichtlijn zoals bepaald in de artikelen 10, 11 en 12, tweede lid, voor zover in dit geval van toepassing. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:982, onder 10.
  14. De staatssecretaris moet daarom ook in dit geval al het geleverde bewijs in onderlinge samenhang bezien, rekening houden met alle relevante elementen en ervoor zorgen dat de eisen die hij aan het bewijs stelt evenredig zijn aan die elementen. Ook moet de staatssecretaris kenbaar gemotiveerd beoordelen of de vreemdelingen het voordeel van de twijfel verdienen. Bovendien moet de staatssecretaris bij zijn beoordeling rekening houden met de informatie in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van november 2020 over de beschikbaarheid van Eritrese documenten en wat de Afdeling hierover in haar uitspraak van 26 januari 2022 heeft overwogen.”
  15. Tijdens de zitting heeft eiser gesteld dat de onderhavige aanvraag een nareisaanvraag is en er daarbij op gewezen dat in de toelichtende brief van Vluchtelingenwerk van 1 november 2021 is vermeld “betreffende verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 sub e/f vreemdelingenwet”.
  16. De rechtbank is met de minister van oordeel dat gelet op de goede procesorde die eerst tijdens de zitting ingenomen stelling van eiser buiten beschouwing moet worden gelaten. Daartoe is het navolgende redengevend. Bij de indiening van de onderhavige mvv-aanvraag heeft referent een aanvraagformulier “Aanvraag voor het verblijfsdoel 'familie en gezin'(referent)” gebruikt en daarin aangekruist dat hij gezinsleven met eiser wil uitoefenen op grond van artikel 8 van het EVRM. Ook in de genoemde toelichtende brief van Vluchtelingenwerk wordt op die verdragsbepaling een beroep gedaan. In het besluit van 27 maart 2023 heeft de minister vastgesteld dat eiser bij referent wil verblijven op grond van artikel 8 van het EVRM en is, zoals hiervoor is vastgesteld, in het bestreden besluit de onderhavige aanvraag (ook) als een reguliere aanvraag aangemerkt. Eiser heeft in zijn bezwaar- en beroepsgronden niet opgeworpen dat de aanvraag (mede) als een nareisaanvraag moet worden beschouwd.
  17. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat referent met de indiening van de onderhavige aanvraag wel de nareistermijn heeft veiliggesteld en alsnog voor eiser een nareisaanvraag kan indienen. Hechte persoonlijke banden?
  18. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat de minister vindt dat referent voldoende inspanningen heeft gedaan om over de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie van alle betrokkenen bewijs te leveren. In zoverre heeft de minister referent en eiser het voordeel van de twijfel gegeven. De minister gaat echter niet over tot nader onderzoek naar de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie van alle betrokkenen, omdat, ervan uitgaande dat eiser en referent oom en neef van elkaar zijn, zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen hen sprake is van hechte persoonlijke banden in de zin van artikel 8 van het EVRM. Wat dat laatste betreft heeft de minister in het bestreden besluit de volgende redenen gegeven (waar voor “U” referent en “neefje” eiser moet worden gelezen): “(…)
  19. Samenwoning U hebt verklaard dat uw neefje in 2011 is opgenomen in uw gezin. U hebt aangegeven dat uw neefje toen twee jaar oud was. U hebt aangegeven dat u zelf in de periode van 2008 – 2013 nog op school zat en daar op een soort campus verbleef. U kwam daardoor slechts één keer in de zes maanden thuis. Op basis van deze verklaringen wordt geconstateerd dat u en uw neefje elkaar slechts sporadisch zagen en dat er in die periode geen sprake is geweest van feitelijke samenwoning. Na het afronden van uw studie in 2013 hebt u nog gewerkt in het kader van uw dienstplicht. U hebt aangegeven dat u toen veel van huis was voor uw werkzaamheden en dat u hierdoor ook geen zorgtaken op u kon nemen. In juli 2014 hebt u vervolgens Eritrea verlaten. Hoewel u dus ongeveer een jaar met uw neefje hebt samengewoond is dit onvoldoende om enkel en alleen op basis van deze kortdurende samenwoning vast te stellen dat er sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit wordt ondersteund door de volgende overwegingen.
  20. Praktische zorg U hebt tijdens uw aanmeldgehoor verklaard dat uw neefje uw pleegkind is. U hebt toen echter ook verklaard dat de praktische zorg voor uw neefje vooral bij uw moeder en uw zussen lag, omdat u zelf al plannen had om Eritrea te verlaten. Tijdens uw hoorzitting op 21 augustus 2024 hebt u daarentegen verklaard dat de voogdij over uw neefje niet bij u ligt, maar bij uw moeder. U hebt ook aangegeven dat uw moeder nog altijd de voogdij heeft. Ook zou uw neefje uw moeder zien als zijn primaire verzorger. Overwogen wordt derhalve dat u niet de pleegouder, dan wel voogd bent van uw neefje. U hebt aangegeven dat u nu voor u neefje wilt zorgen, omdat u hem tot zijn 4e hebt gekend en uw moeder inmiddels ouder is geworden en haar zorgtaken minder goed kan uitvoeren. U maakt zich zorgen om zijn toekomst. Hoewel het begrijpelijk is dat u zich zorgen maakt over de toekomst van uw neefje, zijn de bovenstaande verklaringen onvoldoende om aan te nemen dat er tussen u en uw neefje sprake is van hechte persoonlijke banden. U hebt immers slechts een korte periode met uw neefje samengewoond en in die periode was u niet de primaire zorgdrager en had u geen specifieke zorgtaken. Bovendien hebt u jaren op een schoolcampus verbleven en was u daarna zelf grotendeels buiten het huis aan het werk. U hebt verklaard dat uw moeder alles voor uw neefje doet wat een moeder maar kan doen. U hebt verklaard dat uw moeder op dagelijkse basis verantwoordelijk is voor de verzorging van uw neefje. Zo is zij onder meer verantwoordelijk voor het koken, wassen en verzorgen van zijn kleding. Daarnaast ondersteunde uw zus [naam] uw moeder bij haar dagelijkse taken. U hebt verklaard dat uw zus uw neefje soms naar school bracht en ook heeft gezorgd voor zijn inschrijving op school Verder hebt u nog verklaard dat de hoofdkostwinner van het gezin altijd uw broer, [naam] , was. De enige taak die u zelf had was het soms helpen met school en het inbrengen van geld zodat er kleding en dagelijkse boodschappen gekocht konden worden. U hebt verklaard dat uw neefje nog erg jong was toen u Eritrea verliet en dat het contact tussen uw beiden langzaam is opgebouwd via de telefoon. Op basis van alle voorgaande verklaringen tezamen wordt overwogen dat er tussen u en uw neefje geen band is ontstaan die sterker is dan wat gebruikelijk is tussen samenwonende familieleden. Er is op basis van deze verklaringen dan ook geen sprake van hechte persoonlijke banden.
  21. Overige redenen U hebt aangegeven dat u altijd financieel hebt bijgedragen aan de verzorging van uw neefje. U hebt dit echter niet met bewijzen aangetoond. Het is dan ook niet mogelijk om vast te stellen hoe groot en essentieel uw financiële bijdrage is geweest. Daarnaast hebt u verklaard dat uw broer altijd de hoofdkostwinner is geweest binnen het gezin. Uw financiële bijdragen zijn dan ook niet doorslaggevend bij het bepalen van de hechte persoonlijke banden. Verder is nog relevant dat u en uw neefje al jaren gescheiden van elkaar leven. U hebt Eritrea verlaten toen uw neefje nog 4 a 5 jaar oud was. Zoals hierboven reeds is aangegeven is de band tussen u en uw neefje voornamelijk op afstand ontstaan door in de afgelopen jaren regelmatig telefonisch contact met elkaar te hebben. Niet valt in te zien dat er op afstand tussen u en uw neefje hechte persoonlijke banden zijn ontstaan. Bovendien wordt overwogen dat uw financiële bijdrage en het telefonisch contact op afstand kan worden voortgezet. Dat u zich zorgen maakt om de leeftijd en gezondheid van uw moeder en de algemene situatie in Eritrea is onvoldoende om te kunnen spreken van hechte persoonlijke banden tussen u en uw neefje. Bovendien hebt u niet aangevoerd of aangetoond dat er indicaties zijn dat uw moeder op korte termijn zal wegvallen als verzorger. Verder woont uw zus [naam] nog altijd in Eritrea. Niet valt in te zien waarom zij niet alsnog voor uw neefje zou kunnen zorgen. U hebt onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij deze zorg niet op zich zou kunnen nemen als uw moeder weg zou vallen. (…)”
  22. De rechtbank stelt vast dat in de beroepsgronden van eiser deze motivering van de minister niet gemotiveerd wordt betwist. Tijdens de zitting heeft de (gemachtigde van) eiser (voor het eerst) naar voren gebracht dat referent vanwege militaire dienst niet heeft kunnen zorgen voor eiser. Die stelling heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat tussen eiser en referent geen sprake is van hechte persoonlijke banden en dat om die reden geen sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
  23. Eiser heeft aangevoerd dat referent een verschoonbare reden heeft waarom hij niet heeft gereageerd op een herstelverzuimbrief van de minister van 13 februari
  24. Niet in geschil is echter dat referent in bezwaar alsnog op de hoogte is geraakt van deze brief en hij niet op die brief heeft gereageerd.
  25. De beroepsgronden slagen niet. Conclusie en gevolgen
  26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat het bestreden besluit niet verandert. Eiser krijgt de voor hem gevraagde mvv dus niet.
  27. Het griffierecht krijg eiser niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Te raadplegen via https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1289767_1/1/ Vergelijk paragraaf 1.1 van werkinstructie 2024/4; te raadplegen via https://puc.overheid.nl/ind/doc/PUC_1336044_1/1/

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.