RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24565 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.S. van Aken), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 26 mei 2025 (het bestreden besluit) waarin verweerder de overdrachtstermijn heeft verlengd vanwege onderduiken. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit waarin de overdrachtstermijn wordt verlengd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Uit het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo uitgelegd moet worden dat een vreemdeling onderduikt wanneer hij er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. De vreemdeling behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser was ondergedoken. Eiser is voldoende geïnformeerd over zijn verplichtingen en over zijn vertrek. Uit het vertrekgesprek gehouden op 13 mei 2025 blijkt dat eiser op de hoogte is gesteld van de geplande overdracht. Aan eiser zijn tijdens dit gesprek de vluchtgegevens uitgereikt, meegedeeld en toegelicht. In het dossier zit tevens een kennisgeving van 13 mei 2025 waarin eiser wordt geïnformeerd over de geplande overdracht op 23 mei
- Eiser is tijdens het vertrekgesprek ook geïnformeerd over zijn verplichting om medewerking te verlenen aan de geplande overdracht en de gevolgen van het niet verlenen van medewerking aan de overdracht aan de andere lidstaat. Aan eiser is gevraagd om zich de avond vóór de geplande overdracht beschikbaar te houden op zijn kamer. Uit het standaardformulier ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten’ (TBBA) van 23 mei 2025 volgt verder dat eiser op 22 mei door het COa niet is aangetroffen op zijn kamer. Vervolgens is er door het COa een notitie achtergelaten op het bed van eiser, ook is de beveiliging geïnformeerd dat eiser op 23 mei 2025 om 09:30 uur bij de receptie verwacht wordt. Op de dag van de overdracht is eiser niet op het aangezegde tijdstip verschenen. Ook was eiser op dat moment niet op zijn kamer aanwezig of - voor zover bekend - elders in de opvang. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser de hem toegekende woonplaats had verlaten.
- Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven als reden waarom hij niet op het aangezegde tijdstip klaar stond voor vertrek. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en het proces-verbaal hiervan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:
- Centraal Orgaan opvang asielzoekers.