proces-verbaal uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.21418 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.R. Scholtens). Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.21419 (het verzoek om een voorlopige voorziening), op 19 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen 1.
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 1.
- Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland op 1 april 2025 aan Spanje verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit verzoek op 29 april 2025 aanvaard. 1.
- Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662) volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. 1.
- Op 3 juni 2025 heeft verweerder een schermafbeelding van zijn interne systeem (Indigo) overgelegd waaruit volgt dat eiser op 20 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang van het COA. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, het COA, AVIM of de DT&V. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken of zij nog contact heeft met eiser. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 10 juni 2025 medegedeeld dat zij sinds medio mei 2025 geen contact meer heeft kunnen krijgen met eiser. 1.
- Nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken, hij geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde over de voortgang van de procedure en de gemachtigde niet weet waar eiser zich bevindt, moet het ervoor worden gehouden dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Gelet hierop heeft hij geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. 1.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2025 door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.