← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:13498

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/1051 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay). Inleiding 1.1 Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering per 4 september 2023 op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 29 augustus 2023 heeft verweerder de uitkering toegekend. Met het primaire besluit van 13 september 2023 is verweerder hierop teruggekomen en de aanvraag alsnog afgewezen. 1.2 Bij besluit van 6 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. 1.3 Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.4 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar tolk deelgenomen. De gemachtigde van verweerder is zonder nader bericht niet verschenen. 1.6 De rechtbank heeft het beroep ter zitting aangehouden en eiseres in de gelegenheid gesteld om de stageovereenkomst in te dienen en ook om stukken in te dienen waaruit blijkt dat zij tijdens haar stage heeft gesolliciteerd voor een baan. 1.7 Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend en verweerder heeft hierop gereageerd waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten. Overwegingen 2.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 2.2 Eiseres was tot eind augustus 2023 werkzaam bij De Haagse Hogeschool (werkgever) voor 16 uur per week. Op 25 augustus 2023 heeft zij een uitkering op grond van de WW aangevraagd. Met het besluit van 29 augustus 2023 is aan haar medegedeeld dat zij per 4 september 2023 recht heeft op een WW-uitkering. 2.3 Op 9 september 2023 heeft verweerder van de werkgever van eiseres een melding ontvangen dat eiseres fulltime stage loopt en niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Vervolgens heeft verweerder met het primaire besluit van 13 september 2023 bepaald dat eiseres per 4 september 2023 geen recht heeft op een WW-uitkering omdat zij fulltime stage loopt en daarom niet beschikbaar is voor werk. Gronden van eiseres 3. Eiseres voert aan dat zij 36 uur per week stage liep bij Oxfam Novib, verdeeld over maandag tot en met donderdag, zodat zij nog beschikbaar was voor betaald werk in de avonden en van vrijdag tot en met zondag. Bovendien heeft zij gedurende haar stage ook gesolliciteerd en gezocht naar een baan, ook hieruit blijkt haar beschikbaarheid voor werk. Verweerder heeft dus ten onrechte aangegeven dat ze 40 uur per week stage liep en niet beschikbaar was voor werk. Standpunt van verweerder 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een WW-uitkering, omdat zij 40 uur per week stage liep bij Oxfam Novib en daarvoor een vergoeding ontving van € 450,- per maand. De stage is feitelijk in de plaats gekomen van haar werkzaamheden als werknemer, zodat zij niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Er is geen sprake van een situatie dat zij eerder naast de door haar verrichte werkzaamheden als werknemer al actief was in het kader van een stage. Uit de door eiseres ingediende aanvullende stukken blijkt volgens verweerder niet dat er sprake is van voldoende sollicitatie-inspanningen. Verweerder ziet daarom geen reden voor een andere conclusie dan dat eiseres niet beschikbaar was voor werk. Beoordeling door de rechtbank 5.1 In artikel 15 van de WW staat dat de werknemer die werkloos wordt recht heeft op een uitkering, met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 van de WW en de daarop berustende bepalingen. 5.2 Op grond van artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die (

  1. a)in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek en (
  2. b)beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. 5.3 Tussen partijen is in geschil of eiseres naast haar stage beschikbaar was om voor 16 uur per week arbeid te aanvaarden. 5.3 De rechtbank gaat ervan uit dat eiseres fulltime stage liep voor 36 uur per week, zoals zij stelt van maandag tot en met donderdag. De rechtbank is van oordeel dat eiseres voor deze uren in ieder geval niet beschikbaar was voor arbeid. Zoals verweerder terecht aangeeft, is er bovendien geen sprake van een situatie dat eiseres naast de eerder door haar verrichte arbeid van 16 uur per week, voor ongeveer 36 uur per week stage liep of bijvoorbeeld onbetaalde werkzaamheden verrichtte in het kader van vrijwilligerswerk. Ook is niet voldoende gebleken dat eiseres heeft gesolliciteerd naar een baan in de avonduren en/of het weekend. Uit de door eiseres ingediende stukken blijkt dat zij slechts één concrete sollicitatie-activiteit heeft uitgevoerd. Dit is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat zij voldoende sollicitatie-inspanningen heeft verricht die erop duiden dat zij beschikbaar was voor werk naast haar stage. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat de stage in de plaats is gekomen van de betaalde arbeid en dat daarom geen sprake is van beschikbaarheid voor arbeid op grond van artikel 16, eerste lid en onder b, van de WW. Conclusie 6.1 Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft bepaald dat eiseres per 4 september 2023 geen recht had op een WW-uitkering. 6.2 Het beroep is ongegrond. 6.3 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.