vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team Insolventies rekestnummers: NL:TZ:2500670:R-RK & NL:TZ:2500671:R-RK vonnis van 22 juli 2025 in de zaak van [naam 1] , geboren op [geboortedag 1] 1966 te [geboorteplaats] , en [naam 2] , geboren op [geboortedag 2] 1968 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ; hierna: de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] , tegen Naamloze vennootschap VGZ Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Arnhem, hierna: VGZ [bedrijf] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: [bedrijf] , [naam 3] en [naam 4] , adres houdende te [plaats] , vertegenwoordigd door RienG Gerechtsdeurwaarders, hierna: [naam 3] en [naam 4] . Waar deze zaak over gaat De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] bevinden zich in een problematische schuldensituatie. Zij hebben een voorstel gedaan aan hun schuldeisers, waarbij de vordering door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, hebben de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1De feiten waar de rechtbank van uit gaat 1.1. De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 70.906,46 aan 17 schuldeisers. Het is de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag hebben zij voor het laatst op 28 mei 2025 een schuldregeling aangeboden (nulaanbod). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers 0% wordt aangeboden, tegen kwijtschelding van hun vorderingen. 1.2. VGZ is niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben een schuld aan VGZ van € 9.011,83, dat is 12,7% van de totale schuldenlast. 1.3. [bedrijf] is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben een schuld aan [bedrijf] van € 4.556,92, dat is 6,4% van de totale schuldenlast. 1.4. [naam 3] en [naam 4] zijn ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben een schuld aan [naam 3] en [naam 4] van € 20.676,44, dat is 29,2% van de totale schuldenlast. 1.5. De overige 14 schuldeisers hebben het aanbod aanvaard. 1.6. Om tot een oplossing voor hun schulden te komen hebben de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats willen zij dat de rechtbank verweersters dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, willen zij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). 2De procedure 2.1. De verzoeken van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] zijn behandeld op de zitting van 21 juli 2025. Op deze zitting verschenen: - de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] , - [naam 5] , schuldhulpverlener van de gemeente Den Haag, - [naam 6] , gemeente Den Haag, - [naam 7] , gemeente Den Haag, - [naam 8] , VGZ Zorgverzekeraar, - [naam 9] , VGZ Zorgverzekeraar, - [naam 10] , [bedrijf] . 2.2. [naam 3] en [naam 4] zijn opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen. 2.3. De rechtbank heeft kennisgenomen van het verweerschrift van VGZ van 16 juli 2025 3Standpunten van partijen 3.1. De heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] stellen dat het onredelijk is dat verweersters het aanbod niet aanvaarden. Volgens de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] hebben zij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden en kunnen zij niet meer aanbieden dan zij hebben gedaan. 3.2. VGZ stemt niet in met de aangeboden schuldregeling om – kort samengevat – de volgende redenen. VGZ wijst een minnelijke schuldregeling zonder afloscapaciteit niet af, maar VGZ wil de vordering pas na 18 maanden kwijtschelden, op voorwaarde dat er geen nieuwe achterstanden ontstaan gedurende deze periode. Door deze aanpak wordt gegarandeerd dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] passende begeleiding ontvangen. Hierdoor wordt de kans op een duurzame schuldenvrije toekomst volgens VGZ vergroot. [bedrijf] stemt niet in met de aangeboden schuldregeling – om kort samengevat – de volgende redenen. [bedrijf] stelt zich op het standpunt dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] de auto niet bij hem hadden moeten aanbieden, als zij op dat moment al wisten dat zij de factuur niet konden betalen. De heer [bedrijf] heeft bovendien als zelfstandig ondernemer een groot belang bij volledige betaling van zijn vordering. [naam 3] en [naam 4] hebben hun standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank. 4De beoordeling van de verzoeken 4.1. De rechtbank zal de verzoeken van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht. Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord 4.2. Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat verweersters weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie 4.3. De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Den Haag. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd. De rechtbank moet een belangenafweging maken 4.4. Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. 4.5. De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van de verzoekers(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.