RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26397 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. A. Habib-Portier), en de minister van Asiel en Migratie. Inleiding
- Bij het bestreden besluit van 6 juni 2025 heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.
- De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank
- Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De omstandigheid dat een vreemdeling in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 1 juli 2024 overwogen dat in het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Er mag van uitgegaan worden dat een vreemdeling belang heeft bij zijn beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure.
- De minister heeft in het bestreden besluit van 6 juni 2025 aangegeven dat uit informatie van het COa is gebleken dat eiser op 29 april 2025 met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de beslissing op zijn verzoek om internationale bescherming af te wachten. Verder blijkt uit de stukken dat de Nederlandse autoriteiten op 27 mei 2025 via DubliNet een bericht hebben ontvangen van de Zwitserse autoriteiten dat er geen overdracht hoeft plaats te vinden omdat eiser op 21 april 2025 zelfstandig is teruggekeerd naar Zwitserland. De rechtbank heeft op 23 juni 2025 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of de gemachtigde nog contact onderhoudt met eiser. Uit het bericht van 26 juni 2025 van de gemachtigde van eiser blijkt dat er op dit moment geen contact is met eiser. 4.
- Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, r.o. 2.7.