RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/687930 / JE RK 25-1178 Datum uitspraak: 23 juli 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, zonder vaste woon- of verblijfplaats, advocaat: mr. M.P. Friperson te Den Haag. De kinderrechter merkt als informant aan: Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1Het verloop van de procedure 1.
- De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juli 2025; - het rapport van de Raad van 3 juli
- 1.
- De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli
- Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - [naam 1] namens de Raad; - [naam 2] namens de gecertificeerde instelling. 2De feiten 2.
- De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.
- [de minderjarige] verblijft bij de oma moederszijde. 3Het verzoek 3.
- De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oma moederszijde, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . Hij is opgegroeid in een fysiek en emotioneel onveilige en instabiele thuissituatie. De betrokken ambulante hulpverlening geeft aan dat de moeder tegen [de minderjarige] schreeuwt en dat zij hem een klap heeft gegeven. Ook is [de minderjarige] getuige geweest van ernstig huiselijk geweld tussen de moeder en haar (ex)partner. Bij de moeder is sprake van schulden en mogelijk middelengebruik. Zij is op 16 juni 2025 haar huis uit gezet, omdat sprake was van een vervuilde woning, overlast, zorgen over bezoekers en vermoedens van dealen vanuit de woning. In april 2025 heeft de politie [de minderjarige] alleen thuis aangetroffen. Hij was angstig en overstuur. [de minderjarige] is toen – met toestemming van de moeder – bij de oma moederszijde geplaatst. Hier ontwikkelt [de minderjarige] zich goed. Hij heeft een gezond dag- en nachtritme en gaat naar de basisschool. Hij staat echter nog niet ingeschreven bij de oma, waardoor zij geen praktische zaken voor hem kan regelen en zij geen pleegzorgbegeleiding kan ontvangen. De moeder zou een afspraak maken om een ID-kaart voor zichzelf en [de minderjarige] aan te vragen, waarmee zij [de minderjarige] bij de oma zou kunnen inschrijven, maar verplaatst deze afspraak regelmatig of zegt deze af. Ondanks de inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader is onvoldoende verbetering tot stand gebracht. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is daarom noodzakelijk. 3.
- De moeder is op dit moment niet in staat om [de minderjarige] voldoende stabiliteit en veiligheid te bieden. Daarom is het van belang dat [de minderjarige] voorlopig bij de oma kan blijven wonen. De uithuisplaatsing van [de minderjarige] is daarom ook noodzakelijk. Gelet op de ernst en de omvang van de problematiek van de moeder is de duur van een jaar passend en geboden, zodat de stabiliteit die [de minderjarige] bij zijn oma ervaart voor een langere duur kan worden gecontinueerd. De moeder moet gedurende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gaan werken aan haar eigen problematiek. Het is nodig dat zij individuele behandeling aangaat. Wanneer zij weer in de rol van opvoeder gaat treden, moet zij ook ondersteund worden door middel van opvoedondersteuning. Indien dit nodig blijkt, kan voor [de minderjarige] specialistische individuele hulp worden ingezet. Daarnaast moet er aandacht zijn voor de spanningen tussen de moeder en de oma en moeten er duidelijke afspraken worden gemaakt over het contact tussen de moeder en [de minderjarige] . Verder is het van belang dat statusvoorlichting gaat plaatsvinden. De moeder heeft aangegeven dat zij weet wie de vader van [de minderjarige] is, maar behalve de moeder weet niemand wie dit is. 4De standpunten 4.
- Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder had de situatie liever anders gezien, maar begrijpt dat [de minderjarige] op dit moment niet bij de moeder kan verblijven. Zij is blij dat [de minderjarige] bij zijn oma moederszijde verblijft en niet bij vreemden. De moeder vindt het van belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt over de bezoekmomenten tussen haar en [de minderjarige] , zodat deze bezoekmomenten niet plotseling stopgezet kunnen worden bij onenigheden tussen de moeder en de oma. Daarnaast heeft de advocaat van de moeder benadrukt dat het raadsrapport onjuistheden bevat. Er is geen sprake geweest van kindermishandeling, verwaarlozing en prostitutie. De moeder erkent wel dat er zaken hebben gespeeld die niet goed zijn. Zij is gemotiveerd om het komende jaar hard aan zichzelf te werken zodat zij een stabiele opvoedsituatie voor [de minderjarige] kan creëren. Verder heeft de moeder uitgelegd dat het haar eerder niet is gelukt om een ID-kaart te regelen, maar dat deze inmiddels is aangevraagd. Ook heeft de moeder naar voren gebracht dat zij nog steeds ambulante hulpverlening ontvangt en dat zij via de gemeente gedurende twee weken een kamer heeft waar zij kan verblijven. Vanuit die situatie wordt gezocht naar passende huisvesting. De moeder staat hiervoor op een wachtlijst. 4.
- De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat er nog geen zicht is op een vaste jeugdbeschermer. 5De beoordeling 5.
- De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.
- De kinderrechter overweegt dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] is opgegroeid in een omgeving van onveiligheid en instabiliteit. Hij is getuige, en mogelijk ook slachtoffer, geweest van fysiek en verbaal geweld. De moeder is als gevolg van overlast en een vervuilde woning haar huis uit gezet. Verder is sprake van schulden en mogelijk ook middelenmisbruik bij de moeder. De inzet van vrijwillige hulpverlening is niet toereikend geweest om de zorgen over de onveilige en instabiele thuissituatie weg te nemen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is noodzakelijk om zorg te dragen dat de benodigde hulpverlening voor de moeder wordt ingezet en ook daadwerkelijk wordt gecontinueerd. Als blijkt dat [de minderjarige] baat zou hebben bij individuele hulpverlening zal de jeugdbeschermer zorg moeten dragen dat dit wordt ingezet. Verder is van belang dat de moeder statusvoorlichting aan [de minderjarige] gaat geven, omdat hij het recht heeft om te weten wie zijn vader is. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. 5.
- Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.
- [de minderjarige] woont sinds enkele maanden bij zijn oma moederszijde en ontwikkelt zich hier goed. De moeder is gelet op haar eigen problematiek en bovengenoemde zorgen op dit moment niet in staat om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Daarom is het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij bij zijn oma, waar hij een veilige en stabiele basis ervaart, kan blijven wonen. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van een jaar. De komende periode zal onderzocht moeten worden wat er nodig is om [de minderjarige] op een veilige wijze terug te plaatsen bij de moeder. Daarvoor is van belang dat de moeder aan de slag gaat met haar problematiek en de benodigde hulpverlening aanvaardt. Daarnaast is het van belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt over het contact tussen de moeder en [de minderjarige] . De moeder geeft aan dat zij gemotiveerd is om haar problematiek aan te pakken. De kinderrechter complimenteert haar daarvoor en benadrukt dat het van groot belang is dat zij dit volhoudt. 5.
- De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.
- stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 23 juli 2025 tot 23 juli 2026; 6.
- verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oma moederszijde, met ingang van 23 juli 2025 tot 23 juli 2026; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025 door mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en op schrift gesteld op 30 juli
- Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:255 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, BW.