← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:14459

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/18749 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2025 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , eisers V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een visum voor kort verblijf. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvragen op onjuiste gronden zijn afgewezen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  3. Onder 4 tot en met 9 staan het procesverloop in deze zaak en de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 10 en 11 is het beoordelingskader uiteengezet. De overwegingen van verweerder zijn weergegeven onder 12 en 13 en de beroepsgronden van eisers onder 14 en
  4. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf
  5. Daarbij gaat de rechtbank met name in op het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop
  6. Eisers wonen in Turkije en hebben de Turkse nationaliteit. Gemachtigde is de dochter van eisers en woont in [plaats] met haar man [naam 1] en hun dochtertje [naam 2] .
  7. Eisers hebben op 30 april 2024 verzocht om de afgifte van visa voor kort verblijf om een bezoek te kunnen brengen aan hun dochter in Nederland. Verweerder heeft deze aanvragen met de besluiten van 8 mei 2024 afgewezen.
  8. Het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 8 mei 2024 is met het bestreden besluit van 14 november 2024 (kennelijk) ongegrond verklaard. Gelet op alles wat in de aanvraag- en bezwaarprocedure is aangevoerd, heeft verweerder het niet nodig gevonden om eisers over hun bezwaar te horen.
  9. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij stellen dat zij hun dochter en kleindochter al 6,5 jaar niet meer hebben gezien en dat zij graag naar Nederland willen komen voor een kort verblijf. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
  10. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en haar echtgenoot en de gemachtigde van verweerder.
  11. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen vier weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank Het beoordelingskader
  12. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode blijkt dat de minister verplicht is een visum te weigeren indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De overwegingen van verweerder
  13. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op basis van artikel 32, eerste lid, onder b) van de Visumcode, omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. Volgens verweerder hebben eisers de sociale en economische binding met Turkije onvoldoende aangetoond, dan wel is deze gering gebleken.
  14. Over de economische binding met Turkije heeft verweerder aangenomen dat eiser pensioen geniet en dat eiseres financieel wordt onderhouden door eiser, maar dat niet is gebleken dat (tijdige) aanwezigheid in Turkije vereist is om het pensioen te (blijven) ontvangen. Ook het hebben van grond levert volgens verweerder geen zodanige economische binding met het land van herkomst op dat een tijdige terugkeer gewaarborgd is.
  15. Over de sociale binding met Turkije heeft verweerder overwogen dat eisers drie kinderen hebben, waarvan er twee in Turkije wonen en waarvan (ten tijde van het bestreden besluit) nog één minderjarig kind. Ook wordt aangenomen dat eisers nog meer familie hebben in Turkije, en dat er dus enige sociale binding met Turkije bestaat, maar omdat eisers samen naar Nederland willen afreizen, is de sociale band volgens verweerder niet sterk. De beroepsgronden
  16. Eisers hebben aangevoerd dat hun familie al 50 jaar in Istanbul woont en dat zij met hun zoon en dochter in hetzelfde huis wonen. Zij hebben een grote familie en een uitgebreid netwerk van vrienden. Zij hebben een stabiel leven en onderhouden nauwe relaties met mensen die hen goed kennen.
  17. Eisers hebben een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben aangevoerd dat hun nog in Turkije wonende zoon en dochter wel een visum voor kort verblijf hebben gekregen voor de periode 3 februari 2025 tot 11 februari
  18. Ter zitting hebben eisers daar nog aan toegevoegd dat de schoonouders van hun dochter/gemachtigde ook een visum voor kort verblijf hebben gekregen voor een periode van 30 dagen (november/december 2024), onder gelijke omstandigheden, en dat zij ook weer op tijd zijn teruggekeerd naar Turkije. Het oordeel van de rechtbank
  19. Dat de ouders van [naam 1] eind 2024 Nederland hebben bezocht met een geldig visum voor kort verblijf, is door verweerder niet bestreden. De rechtbank acht het aannemelijk dat de visa voor kort verblijf aan de ouders van [naam 1] onder vergelijkbare omstandigheden zijn verleend. De rechtbank neemt aan wat eisers daarover ter zitting hebben verklaard, namelijk dat deze ook een stabiel en sociaal leven in Turkije hebben, dat de vader ook een Turks pensioen geniet en dat voor het (blijvend) kunnen ontvangen van dat pensioen de (blijvende) aanwezigheid in Turkije ook niet noodzakelijk is. Daarbij neemt de rechtbank aan dat eisers al het mogelijke hebben gedaan om te onderbouwen dat er geen sprake is van een migratie-intentie en dat zij tijdig terug zullen keren naar Turkije.
  20. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Conclusie en gevolgen
  21. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Verweerder heeft de aanvragen op onjuiste gronden afgewezen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over het bezwaar of over de aanvragen te nemen.
  22. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
  23. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 14 november 2024; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 aan eisers moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.