RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/4680 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. H. Nieuwendijk). Procesverloop
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de voorschotbeschikking waarin zijn zorg- en huurtoeslag voor het jaar 2023 is berekend. 1.
- Met het besluit van 5 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag over het jaar 2023 vastgesteld op € 1.049,- en het voorschot huurtoeslag op € 1.081,-. Met het bestreden besluit van 11 maart 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en het voorschot zorgtoeslag herzien naar € 1.108,- en het voorschot huurtoeslag naar € 1.169,-. 1.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door mr. F. Huizinga. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Naar aanleiding van een melding van eiser over een wijziging van zijn jaarinkomen naar € 31.000,- heeft verweerder met het primaire besluit van 5 januari 2024 het voorschot huurtoeslag over 2023 vastgesteld op € 1.081,- en het voorschot zorgtoeslag op € 1.049,-. Op basis van die gegevens en eerdere wijzigingen over het jaarinkomen die hij in dat jaar heeft doorgegeven moet eiser over 2023 een bedrag van € 1.486,- aan huurtoeslag en een bedrag van € 809,- aan zorgtoeslag terugbetalen. Met het bestreden besluit van 11 maart 2024 heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit ingestelde bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het voorschot huurtoeslag over 2023 gewijzigd naar € 1.169,- en het voorschot zorgtoeslag naar € 1.108,-. De reden hiervoor is dat het jaarinkomen 2023 op grond van jaaropgaven is bijgesteld naar € 30.572,-. In het bestreden besluit ligt besloten dat eiser over 2023 voor een bedrag van € 1.398,- aan teveel ontvangen huurtoeslag en een bedrag van € 751,- aan teveel ontvangen zorgtoeslag moet terugbetalen. Wat vindt eiser in beroep?
- Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en betoogt dat verweerder (gedeeltelijk) had moeten afzien van de terugvordering van de teveel aan huur- en zorgtoeslag ontvangen bedragen. 3.
- Eiser stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat in dit geval sprake is van persoonlijke en financiële omstandigheden die het (gedeeltelijk) afzien van de terugvordering van de teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag rechtvaardigen. Sinds zijn geboorte heeft hij al te maken met ADHD-problematiek en in 2018 is bij hem een depressie geconstateerd. Zijn worsteling met deze diagnoses heeft in 2022 geleid tot een burn-out, waar hij tot op heden niet van is hersteld. Hoewel eiser desondanks zijn studie in deze periode heeft afgerond, heeft hij door de beschreven problematiek wel de nodige studievertraging opgelopen. Verder heeft hij een studieschuld opgebouwd van in totaal € 36.964,- en was hij een tijd lang aangewezen op de huur van woonruimte vanuit leegstandbeheer. Ondanks dat eiser na zijn studie direct is begonnen met werken, hebben voornoemde omstandigheden ertoe geleid dat hij voor het voldoen van zijn financiële verplichtingen genoodzaakt was om zijn inkomen aan te vullen met zorg- en huurtoeslag. Nooit is hem te kennen gegeven dat hij de ontvangst van deze toeslagen had moeten stopzetten. Hij benadrukt dan ook dat geen sprake is geweest van onwelwillendheid van zijn kant. Op dit moment heeft hij nog een schuld openstaan van € 5.416,- aan teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag over de jaren 2022 en
- Dit is een dermate hoog bedrag dat alleen het treffen van een persoonlijke betalingsregeling geen oplossing biedt. 3.
- Nadat verweerder op 11 december 2023 in reactie op het verzoek van eiser om een betalingsregeling had aangegeven dat hij alsnog alle volledige openstaande belastingschulden moest voldoen, heeft eiser contact opgenomen met verweerder om hierover advies te in te winnen. Een medewerker met de naam [naam] heeft hem toen medegedeeld dat hij voor de nog openstaande schulden van 2022 een herzieningsverzoek kon indienen en tegen de nog openstaande schulden van 2023 bezwaar aan kon tekenen met als reden zijn persoonlijke omstandigheden. Dat verweerder met de beslissing op bezwaar het bedrag van de nog openstaande schulden uiteindelijk slechts marginaal heeft verlaagd en geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, vindt eiser niet stroken met het eerdere advies dat hij kreeg. De onzekerheid die dit teweeg heeft gebracht heeft ertoe geleid dat zijn financiële situatie nog verder is verslechterd. Ook hierin had verweerder aanleiding moeten zien om zijn belastingschuld (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de stukken blijkt dat hangende het beroep, namelijk op 3 juni 2024, de Basisregistratie inkomen (BRI) heeft gemeld dat het jaarinkomen van eiser over 2023 op basis van de definitieve aanslag voor de Inkomstenbelasting € 30.572,- bedraagt. Omdat voor de terugvordering van de huur- en zorgtoeslag in het bestreden besluit van hetzelfde jaarinkomen werd uitgegaan, is op dat onderdeel geen sprake van een wijziging van het bestreden besluit. Dat betekent dat eiser nog steeds procesbelang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
- Tussen partijen is niet in geschil dat eiser over het jaar 2023 voor een bedrag van € 751,- teveel aan zorgtoeslag en voor een bedrag van € 1.398,- teveel aan huurtoeslag heeft ontvangen. Verweerder was daarom op grond van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in beginsel bevoegd om deze bedragen terug te vorderen. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of verweerder op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir jo. artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toch een lager bedrag had moeten terugvorderen omdat de nadelige gevolgen hiervan voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met de terugvordering te dienen doelen. 5.
- In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat een toeslag een financiële tegemoetkoming is van het Rijk waarop alleen aanspraak kan worden gemaakt als wordt voldaan aan de daartoe in wet- en regelgeving gestelde voorwaarden. Hierbij past dat op grond van de systematiek van de Awir voorafgaand aan de definitieve berekening het bedrag van het voorschot zoveel mogelijk wordt afgestemd op het bedrag waarop de definitieve berekening vermoedelijk zal worden vastgesteld. Verweerder probeert te voorkomen dat er ten onrechte te hoge toeslagen worden uitgekeerd, maar om uiteenlopende redenen kan dat niet altijd worden voorkomen. Daarnaast wijst verweerder op het Verzamelbesluit Toeslagen van 17 oktober 2024 (nr. 2024-492904; het Verzamelbesluit), waarin het beleid rondom het matigen van de terugvordering van toeslagen is opgenomen. Hierin is opgenomen dat alleen bijzondere omstandigheden zich verzetten tegen gehele terugvordering en dat als dergelijke omstandigheden zich voordoen en gehele terugvordering onevenredig is, verweerder kan afzien van de terugvordering of het bedrag van de terugvordering kan matigen. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is als de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijk over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Verder kunnen financiële omstandigheden geen reden zijn voor matiging omdat een belanghebbende kan verzoeken om het treffen van een persoonlijke betalingsregeling waarbij verweerder aan de hand van de financiële gegevens van de belanghebbende nagaat wat de betalingscapaciteit is. 5.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar het Verzamelbesluit voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval geheel of gedeeltelijk van de terugvordering moet worden afgezien. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn financiële situatie zodanig problematisch is dat het treffen van een persoonlijke betalingsregeling in dit geval niet volstaat. Ook de persoonlijke omstandigheden die eiser heeft aangevoerd kunnen niet leiden tot matiging nu deze, zoals verweerder terecht heeft gesteld, niet de oorzaak zijn geweest van de uiteindelijke terugvordering. Dat zijn namelijk de wijzigingen die eiser zelf heeft doorgegeven over zijn geschatte inkomen en dan met name de wijziging van het geschatte jaarinkomen naar € 24.934,- van 2 augustus
- Dit wordt door eiser ook niet betwist. Verder heeft eiser op de zitting aan de orde gesteld dat zijn beroepsgrond over het plaatsgevonden telefoongesprek met medewerker [naam] niet zozeer moet worden opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel, als wel een bijzondere omstandigheid die moet leiden tot (gedeeltelijke) kwijtschelding van de belastingschuld. De rechtbank volgt dit betoog niet omdat niet is gebleken dat daadwerkelijk is toegezegd dat de belastingschuld op grond van persoonlijke omstandigheden zou worden gematigd. Bovendien blijkt uit het verweerschrift dat de persoonlijke omstandigheden van eiser wel degelijk zijn betrokken bij de belangenafweging. Zoals hiervoor ook al is overwogen, heeft verweerder echter een zwaarder gewicht mogen toekennen aan volledige terugvordering van de belastingschuld omdat de persoonlijke omstandigheden niet de oorzaak zijn geweest van de terugvordering. Conclusie en gevolgen
- Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei
- griffier rechter De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eiser wijst in dat kader op artikelen 26.1 en 26.2.5 van de Leidraad Invordering
- Eiser heeft ter ondersteuning hiervan verklaringen van zijn bedrijfsarts en huisarts overgelegd. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3491.