← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:14719

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.15356 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. Z.M. Alaca) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft op 2 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overwegingen

  1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift tenminste de gronden van het beroep. Dat zijn de specifieke punten waarop degene die beroep instelt het niet eens is met het bestreden besluit.
  2. Als er geen gronden worden ingediend, kan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank moet dan wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
  3. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. Daarom heeft de rechtbank op 3 april 2025 middels een bericht in het digitale dossier aan eiser gevraagd om binnen vijf werkdagen alsnog gronden in te dienen. Hierbij is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gronden niet binnen die termijn alsnog worden ingediend. Op dit bericht is geen reactie gekomen. Daarom heeft de rechtbank op 11 april 2025 aan eiser verzocht om binnen twee werkdagen kenbaar te maken of het juist is dat er geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot herstel en zo ja, of daarvoor een verschoonbare reden is. Eiser heeft de rechtbank diezelfde dag medegedeeld dat in deze zaak geen gronden zullen worden ingediend. Er is niet gebleken van een verschoonbare reden voor het niet indienen van gronden.
  4. De rechtbank ziet zich gelet hierop nog slechts voor de vraag gesteld of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien wat is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
  5. De rechtbank zal het beroep daarom met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD
  7. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.