RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Den Haag DJ c Rep.nr.: 11492410\ RP VERZ 25-50040 Datum: 28 april 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [partij A] , wonende te [woonplaats] , verzoeker in de hoofdzaak en het incident, verweerder in het tegenverzoek, gemachtigde: mr. A. Rodríguez González, verder te noemen: [partij A] , tegen 1de besloten vennootschap [partij B] B.V.,
- de besloten vennootschap [partij C] B.V., beiden gevestigd te [vestigingsplaats] , verweersters in de hoofdzaak en het incident, verzoeksters in het tegenverzoek, gemachtigden: mrs. Z.N. Aliar en L. de Wit, gezamenlijk te noemen [partij B] c.s., waar zij afzonderlijk worden bedoeld worden ze [partij B] en [partij C] genoemd. 1Het procesverloop 1.
- De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - een verzoekschrift van [partij A] , binnengekomen op 14 januari 2025 met de producties 1 tot en met 13, tevens inhoudende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv; - een brief van [partij A] met een wijziging van het verzoek en producties 14 tot en met 17; - een brief van [partij A] met producties 18 tot en met
- 1.
- De mondelinge behandeling was aanvankelijk op 17 februari 2025 bepaald. Deze is op verzoek van [partij B] c.s. verzet en met inachtneming van de verhinderdata van beide gepland op 31 maart
- Op 21 maart 2025 heeft [partij B] c.s. opnieuw uitstel verzocht vanwege ‘het einde van de Ramadan en Suikerfeest’. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. 1.
- [partij B] c.s. heeft de rechtbank op vrijdag 28 maart 2025 om 16.02 uur een 21 pagina’s tellend verweerschrift met een zelfstandig tegenverzoek en met de producties 1 tot en met 10 toegestuurd. 1.
- Op 31 maart 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [partij A] is verschenen vergezeld van [naam 1] en een tolk en bijgestaan door mr. Rodríguez González. Namens [partij B] c.s. zijn verschenen [naam 2] , bestuurder, [naam 3] , directrice, bijgestaan door mrs. Aliar en De Wit. [partij A] heeft bezwaar gemaakt tegen het toelaten van het verweerschrift en de tegenverzoeken vanwege het late tijdstip van indiening. De kantonrechter heeft ter zitting geoordeeld dat het verweerschrift buiten beschouwing wordt gelaten omdat het te laat is ingediend (zie verder onder 5.20). [partij B] c.s. heeft het verweerschrift vervolgens deels voorgelezen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting op hun standpunten naar voren hebben gebracht. De aantekeningen bevinden zich in het griffiedossier. 1.
- Daarna is de uitspraak bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
- [partij B] (voorheen [bedrijfsnaam 1] B.V.) is een uitzendbureau dat zich richt op groenvoorzieningen, de agrarische sector en bouwnijverheid. [partij C] richt zich op het exploiteren van horeca ondernemingen. Beide vennootschappen zijn op hetzelfde adres gevestigd en [naam 2] is van beide vennootschappen de (middellijk) bestuurder en enig aandeelhouder. 2.
- [partij B] is erkend referent bij IND. Dat houdt onder meer in dat zij gerechtigd is om verblijfsvergunningen aan te vragen voor kennismigranten. De referent is vervolgens gehouden om de kennismigrant een salaris te betalen ter hoogte van het gestelde normbedrag. Voor werknemers jonger dan 30 jaar bedroeg het bruto normbedrag met ingang van 1 januari 2023 € 3.672,- per maand, vanaf 1 januari 2024 was het € 3.907,- en vanaf 1 januari 2025 was het € 4.171,-. Als naderhand blijkt dat de kennismigrant niet conform deze looneis wordt betaald kan IND de verblijfsvergunning van de kennismigrant intrekken. 2.
- [partij A] is van 1 november 2022 tot 1 februari 2023 werkzaam geweest bij [bedrijfsnaam 2] B.V. te Amstelveen. Op 31 januari 2023 is namens [partij B] een (verlengde) aanvraag voor [partij A] bij IND ingediend voor een verblijfsvergunning voor arbeid als kennismigrant. De aanvraag zag op de functie van chef-kok voor de periode van 1 februari 2023 tot en met 31 januari 2024 voor 40 uur per week. Aan de aanvraag is een door beide partijen getekende arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar gehecht met daarin een salaris van € 3.700,- bruto per maand. Op 17 maart 2023 heeft IND [partij A] een verblijfvergunning als kennismigrant verleend, geldig tot en met 31 januari
- 2.
- [partij B] heeft [partij A] blijkens de door haar overgelegde salarisstroken in 2023 een bruto loon betaald van aanvankelijk € 2.133,37 en later € 2.182,60 waarop € 555,- werd ingehouden voor huisvesting en € 151,20 voor een ziektekostenverzekering. [partij A] ontving eerst € 1.285,- en later € 1.362,36 netto. Op de salarisstroken is vermeld dat het een nul-urencontract betreft. 2.
- [partij B] en [partij A] hebben daarna een arbeidsovereenkomst ondertekend voor onbepaalde tijd, ingaande op 1 januari 2024 voor de functie van kok met een bruto maandsalaris van € 2.298,54 en een arbeidsduur van 38 uur per week. Op 23 april 2024 heeft [partij B] een verlenging van de verblijfsvergunning als kennismigrant voor [partij A] aangevraagd. Blijkens de beschikking van IND van 7 november 2024 heeft [partij B] daarbij een salaris van € 4.000,- per maand opgegeven. IND heeft [partij A] op basis daarvan een verblijfsvergunning als kennismigrant verleend voor de periode van 1 mei 2024 tot 30 juni
- 2.
- [partij A] heeft een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd, van 1 februari 2023 tot 1 februari 2024, getekend met [partij C] voor de functie Medewerker Bediening waarin een bruto uurloon van € 11,16 is genoemd. Vermeld is dat het overeengekomen aantal uren nul uren per week bedraagt. [partij A] heeft ook een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd met [partij C] getekend voor de periode van 1 februari 2024 tot en met 31 juli 2024, eveneens voor de functie Medewerker Bediening, waarin een bruto uurloon van € 13,27 is genoemd. 2.
- Alle overeenkomsten zijn in het Nederlands opgesteld en er is geen vertaling van bijgevoegd. [partij A] beheerst de Nederlandse taal niet. 2.
- [partij A] is aan het werk gegaan in een door [naam 2] en/of [partij C] geëxploiteerd restaurant genaamd [restaurantnaam 1] . Hij heeft (enige) werkzaamheden als (chef)kok verricht maar heeft ook in de bediening gewerkt en heeft schoonmaakwerkzaamheden en andere klusjes gedaan. Op 10 maart 2024 is het restaurant gesloten. [partij B] heeft vanaf 1 maart 2024 de volgende betalingen aan [partij A] gedaan: 1 maart 2024 € 1.594,76 8 april 2024 € 750,- 10 mei 2024 € 242,60 20 mei 2024 € 263,33 2 augustus 2024 € 142,91 9 augustus 2024 € 227,93 8 november 2024 € 2.488,08 (omschrijving loon maand sept+okt) 2.
- Op 11 november 2024 heeft [partij A] een brief ontvangen van IND waarin het voornemen kenbaar wordt gemaakt om de verblijfsvergunning in te trekken vanwege het niet voldoen aan het voor kennismigranten jonger dan 30 jaar geldende looncriterium, inhoudende dat het salaris minimaal € 3.672,- bruto per maand moet bedragen. IND heeft die informatie verkregen via Suwinet, een beveiligd netwerk van de overheid dat door overheidsinstanties wordt gebruikt om inkomensgegevens van burgers uit te wisselen. Op 15 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [partij A] en mevrouw [naam 3] . [naam 3] heeft [partij A] meegedeeld dat hij vanwege het voornemen van IND om de verblijfsvergunning in te trekken geen werkzaamheden meer voor [partij B] mag verrichten en dat het dienstverband daarom met onmiddellijke ingang wordt beëindigd. 2.
- Bij beschikking van 11 februari 2025 heeft IND de verleende verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken omdat uit ambtshalve verkregen informatie is gebleken dat niet is voldaan aan de salarisnorm voor kennismigrant. [partij A] heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend waarop ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet was beslist. 3Het verzoek 3.
- [partij A] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: in het incident ex art. 223 Rv, bij wijze van voorlopige voorziening:
- [partij B] c.s. en/of [partij C] voor de duur van het geding te veroordelen tot betaling aan [partij A] van het salaris van € 4.000,- bruto per maand vanaf 16 november 2024 tot en met 31 december 2024 en van € 4.171,- bruto per maand vanaf 1 januari 2025, dan wel het netto equivalent daarvan, te vermeerderen met de vakantietoeslag en overige emolumenten, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen datum, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd; in de hoofdzaak: primair
- het aan [partij A] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen;
- te verklaren voor recht dat tussen [partij A] en [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, althans een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met een in goede justitie vast te stellen einddatum;
- [partij B] c.s., althans [partij B] en/of [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van het op hem van toepassing zijnde salaris van € 4.000,- bruto per maand vanaf 16 november 2024 tot en met 31 december 2024, en van € 4.171,- bruto per maand vanaf 1 januari 2025, dan wel het netto equivalent daarvan, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhogingen ex art. 7:625 BW van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van het achterstallig en/of nog niet uitbetaalde salaris: - over de maanden februari 2023 tot en met december 2023 voor zover over al die maanden niet het volledige netto equivalent van bruto € 3.700,- per maand is betaald; - over de maanden januari 2024 tot en met november 2024 voor zover over al die maanden niet het volledige netto equivalent van bruto € 4.000,- per maand is betaald; te vermeerderen met de wettelijke verhogingen ex artikel 7:625 BW van 50% en met de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen om de juiste schriftelijke salarisspecificaties over de maanden februari 2023 tot en met december 2024, alsmede vanaf januari 2025, evenals de schriftelijke jaaropgave over het jaar 2024 en alle schriftelijke jaaropgaven vanaf 2025, aan [partij A] te verstrekken waarin duidelijk de bruto bedragen van de desbetreffende van toepassing zijnde lonen, de netto equivalenten daarvan alsmede de verrichte inhoudingen worden weergegeven, één en ander binnen veertien dagen na de betekening van de uitspraak, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte van een dag, dat [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] , nadat de voormelde veertien dagen zijn verstreken, in gebreke blijft om aan het in de uitspraak bepaalde te voldoen;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen om over te gaan tot het werkelijk afdragen van alle nog niet afgedragen wettelijke (loon)heffingen en premies aan de Belastingdienst, het UWV en overige overheidsinstanties conform het juiste salaris van [partij A] , alsmede om aan voornoemde instanties - waaronder ook uitdrukkelijk de Immigratie- en Naturalisatiedienst - het juiste arbeidsverleden en de juiste gewerkte uren alsmede het juiste salaris van [partij A] bij [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] door te geven, en aan [partij A] een schriftelijk bewijsstuk te verstrekken waarin duidelijk en onomstotelijk wordt bevestigd dat [partij B] c.s. zulks ook werkelijk heeft gedaan, één en ander binnen veertien dagen na de betekening van de uitspraak, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte van een dag, dat [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] , nadat de voormelde veertien dagen zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de uitspraak te voldoen; subsidiair
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van het achterstallig en/of nog niet uitbetaalde salaris: - over de maanden februari 2023 tot en met december 2023 voor zover over al die maanden niet het volledige netto equivalent van bruto € 3.700,- per maand is betaald; - over de maanden januari 2024 tot en met november 2024 voor zover over al die maanden niet het volledige netto equivalent van bruto € 4.000,- per maand is betaald; evenals de achterstallige eindafrekening waaronder de bij het einde van de arbeidsovereenkomst opgebouwde vakantietoeslag en de waarde van de bij het einde van de arbeidsovereenkomst opgebouwde en niet genoten vakantiedagen-/uren, te vermeerderen met de wettelijke verhogingen ex art. 7:625 BW van 50% en met de wettelijke rente tot aan de dag van volledige betaling;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van een billijke vergoeding ten bedrage van € 60.550,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag van volledige betaling;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van een transitievergoeding van € 2.580,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, tot aan de dag van volledige betaling;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van een (gefixeerde schade)vergoeding wegens onregelmatige opzegging ten bedrage van € 6.480,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag van volledige betaling;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen om de over de betaling van de onder 8 tot en met 11 genoemde bedragen aan [partij A] de daarbij behorende schriftelijke (salaris)specificaties te verstrekken waarin duidelijk de bruto bedragen, de nettobedragen alsmede de verrichte inhoudingen worden weergegeven, één en ander binnen veertien dagen na de betekening van de uitspraak, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte van een dag, dat [partij B] c.s., nadat de voormelde veertien dagen zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de uitspraak te voldoen; meer subsidiair
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de transitievergoeding van € 2.580,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot aan de dag van volledige betaling;
- [partij B] c.s. dan wel [partij B] en/of [partij C] te veroordelen om over de betaling van het onder 13 genoemde bedrag aan [partij A] de daarbij behorende schriftelijke (salaris)specificatie te verstrekken waarin duidelijk de bruto bedragen, de netto bedragen alsmede de verrichte inhoudingen worden weergegeven, één en ander binnen veertien dagen na de betekening van de uitspraak, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte van een dag, dat [partij B] c.s., nadat de voormelde veertien dagen zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de uitspraak te voldoen; zowel primair, subsidiair, als meer subsidiair
- [partij B] c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van veertien dagen na de datum van de uitspraak. 3.
- Aan dit verzoek legt [partij A] het volgende ten grondslag. 3.2.
- [partij A] is als kennismigrant bij [partij B] te werk gesteld maar heeft nooit het daarbij behorende salaris ontvangen. [partij A] verzoekt daarom om [partij B] c.s. te veroordelen om alsnog het juiste salaris te betalen. [partij A] ontving geen, althans zelden, salarisspecificaties. Gebleken is dat [partij B] c.s. ook niet de juiste gegevens aan IND heeft doorgegeven en geen juiste afdracht van loonheffingen heeft gedaan. [partij A] verzoekt daarom om [partij B] c.s. te veroordelen om alsnog op de juiste wijze afdracht te doen van de wettelijke loonheffingen en premies aan de belastingdienst, het UWV en overige overheidsinstanties conform het juiste salaris en om IND daarvan in kennis te stellen. 3.2.
- Naast de arbeidsovereenkomst met [partij B] heeft [partij A] ook arbeidsovereenkomsten met [partij C] ondertekend. Hij deed dat omdat hij onder druk gezet werd. Als hij niet tekende zou hij zijn verblijfsvergunning verliezen, werd er gezegd. De overeenkomsten zijn daarom vernietigbaar op grond van dwaling en/of bedreiging. Voor het geval [partij A] uiteindelijk bij [partij C] in dienst is gekomen, is [partij C] aansprakelijk voor de salarisverplichtingen als opvolgend werkgever. 3.2.
- Het op 15 november 2024 gegeven ontslag op staande voet is vernietigbaar. In de eerste plaats was de verblijfsvergunning nog niet ingetrokken maar ging het om een voornemen maar bovendien is de voorgenomen intrekking een gevolg van het handelen van [partij B] c.s. zelf en levert dit geen dringende reden van [partij A] op. Ook is het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven. [partij A] had [partij B] c.s. namelijk al eerder geïnformeerd over de brief van IND. Het ontslag op staande voet heeft bovendien zeer ernstige gevolgen voor [partij A] doordat hij zijn inkomen in één keer zag wegvallen. Daarbij moet worden betrokken dat hij bovendien op uitnodiging van [partij B] c.s. naar Nederland gekomen en hij altijd goed gefunctioneerd heeft. Het ontslag heeft daarnaast desastreuze gevolgen voor zijn verblijfsvergunning. 3.2.
- [partij A] heeft hier ter zitting het volgende aan toegevoegd. Hij is als chef-kok aangenomen. Hij betwist dat [partij B] c.s. heeft gezegd dat hij niet de kwaliteiten van chef-kok had en hij betwist ook dat hij diploma’s zou hebben vervalst. Hij stelt dat hij allerlei klusjes moest doen. Als hij dat niet zou doen moest hij terug naar Turkije, werd er gezegd. Toen hij de brief van 7 november 2024 van IND aan [naam 3] toonde, zei ze dat ze het zou oplossen. Later moest hij op kantoor komen en zei ze dat hij ontslagen werd en het verder zelf maar moest uitzoeken. Daarna heeft hij nog met [naam 2] geappt maar kreeg van hem dezelfde reactie. [partij A] stelt dat hij ook door [naam 2] is bedreigd, evenals zijn familie in Turkije. 4Het verweer 4.
- [partij B] c.s. voert verweer en stelt dat [partij A] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen. [partij B] c.s. heeft als voorwaardelijk tegenverzoek de kantonrechter verzocht om bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van: € 3.881,12 netto ter zake van een (gebruiks)vergoeding voor het gebruik van een woonruimte al dan niet van [partij B] c.s. vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzuim tot de dag van volledige betaling; € 1.042,96 ter zake van premies zorgverzekering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzuim tot de dag van volledige betaling; de kosten van de procedure vermeerderd met wettelijke rente. 4.
- [partij B] c.s. heeft daartoe het volgende aangevoerd. 4.2.
- [partij A] is weliswaar als chef-kok aangenomen maar hij beschikte niet over de kwaliteiten daarvoor. Om te voorkomen dat hij terug moest naar Turkije heeft [partij B] hem tewerkgesteld via [partij C] in de bediening. Daarbij hoort een lager salaris. Dat is ook schriftelijk tussen partijen overeengekomen. Na de sluiting van het restaurant [restaurantnaam 1] heeft [partij C] [partij A] aan andere opdrachtgevers ter beschikking gesteld. Dat verklaart de betalingen die daarna aan [partij A] zijn gedaan. [partij B] heeft moeten constateren dat [partij A] vanaf maart 2024 zonder haar medeweten en zonder haar instemming werkzaamheden bij andere werkgevers heeft verricht. In deze periode heeft hij in ieder geval gewerkt in restaurant [restaurantnaam 2] te [plaats] . [partij A] heeft daarmee in strijd gehandeld met de voorwaarden van de verblijfsvergunning en deze op het spel gezet. Het was hem enkel toegestaan om werkzaamheden te verrichten voor [partij B] . 4.2.
- Toen de verblijfsvergunning werd ingetrokken kon van [partij B] niet meer worden gevergd dat zij het dienstverband met [partij A] zou voortzetten. Dat zou in strijd zijn met de Wet arbeid vreemdelingen en [partij B] sluit geen dienstverbanden met personen zonder een verblijfsvergunning. [partij B] had dan ook een dringende reden voor ontslag op staande voet. 4.2.
- [partij A] heeft vanaf eind maart 2024 geen werkzaamheden meer voor [partij B] verricht. Toekenning van de loonvordering zou dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn. Volgens de geldende jurisprudentie is het bovendien niet aanvaardbaar om het volledige loon van een werknemer die niet over een werkvergunning beschikt voor rekening van de werkgever te brengen. Het loon van [partij A] moet dan ook naar redelijkheid en billijkheid gematigd worden vanaf het moment dat de vergunning werd ingetrokken, dus vanaf mei
- Verder voert zij aan dat [partij A] zich niet beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van werkzaamheden doordat hij bij een andere werkgever werkzaam was. De omstandigheid dat hij niet heeft gewerkt kan dus niet aan [partij B] worden toegerekend. 5De beoordeling In de hoofdzaak Met welke partij heeft [partij A] een arbeidsovereenkomst? [partij B] 5.
- Vaststaat dat [partij B] op 31 januari 2023 voor [partij A] een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid als kennismigrant voor [partij A] heeft laten indienen. Aan die aanvraag is door beide partijen getekende een arbeidsovereenkomst bepaalde tijd gehecht. Later heeft [partij B] aan IND doorgegeven dat [partij A] voor onbepaalde tijd bij haar in dienst is getreden hetgeen tot verlenging van de verblijfsvergunning als kennismigrant heeft geleid. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [partij A] voor onbepaalde tijd bij [partij B] in dienst is. Daaraan doet niet af dat hij aan [partij C] ter beschikking was gesteld waarmee hij enkele afzonderlijke arbeidsovereenkomsten heeft gesloten onder nadeliger voorwaarden. Niet gebleken is immers dat de arbeidsovereenkomst met [partij B] is beëindigd of dat [partij C] als opvolgend werkgever moet worden beschouwd. De arbeidsovereenkomst met [partij B] geldt dus als uitgangspunt. 5.
- De conclusie is dan ook dat [partij B] de werkgever is. [partij A] stelt dat de arbeidsovereenkomsten met [partij C] vernietigbaar zijn op grond van bedrog. Nu hij daaraan geen concreet verzoek heeft gekoppeld kan de gestelde vernietigbaarheid onbesproken blijven. Maar aangezien ook [partij B] van mening is dat zij de (enige) werkgever is zullen de verzoeken worden afgewezen voor zover die betrekking hebben op [partij C] . [partij A] moet de proceskosten van [partij C] betalen maar die zullen worden bepaald op nihil. Wat is de functie van [partij A] ? (Chef)kok 5.
- [partij B] is een arbeidsovereenkomst met [partij A] aangegaan voor de functie van chef-kok en later voor de functie van kok. Daarvoor was de verblijfsvergunning ook bedoeld. Vaststaat dat [partij B] hem niet in die functie te werk gesteld heeft. Al vrij snel na zijn komst werkte [partij A] in de bediening en deed hij verschillende klusjes. Volgens [partij B] kon zij [partij A] niet als chef-kok gebruiken omdat hij niet over de daarvoor benodigde kwaliteiten beschikte. De kantonrechter overweegt daarover dat dit, ook als het klopt, nog niet met zich brengt dat zij hem zomaar in een lagere functie met een lager loon mocht plaatsen. Het had dan immers op de weg van [partij B] gelegen om [partij A] in de gelegenheid te stellen om het functioneren te verbeteren. Gesteld noch gebleken is dat zij dat heeft gedaan. 5.
- Ter zitting heeft [naam 2] nog aangevoerd dat [partij A] weliswaar over de vereiste diploma’s beschikte maar dat hij die had vervalst. De kantonrechter oordeelt hierover dat [partij B] de gestelde vervalsing niet deugdelijk heeft onderbouwd. Concrete feiten waaruit dit kan blijken zijn niet gesteld en er zijn ook geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De stelling lijkt ook moeilijk te rijmen met het verstrekken van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 2024 en de aanvraag voor een verlengde verblijfsvergunning voor arbeid als kennismigrant. De kantonrechter gaat hieraan dan ook voorbij. 5.
- Vaststaat dat [partij A] sinds 10 maart 2024 niet meer in het restaurant heeft gewerkt. Dat was vanaf die datum immers gesloten. Voor zover [partij B] meent dat het sluiten van het restaurant tot gevolg heeft dat zij geen verplichtingen meer jegens [partij A] heeft als werkgever is dat onjuist. Aangezien de arbeidsovereenkomst na 10 maart 2024 gewoon doorliep was [partij B] ook na 10 maart 2024 het overeengekomen loon verschuldigd. Dat werd niet anders doordat zij [partij A] ander (nog) lager gekwalificeerd werk liet doen bij andere opdrachtgevers. De betalingen die [partij B] daarna heeft gedaan (zie onder 2.8) liggen echter ver beneden het overeengekomen loon. [partij B] heeft daarmee in strijd met de arbeidsovereenkomst gehandeld en is gehouden om het overeengekomen loon alsnog uit te betalen. 5.
- [partij B] heeft betoogd dat [partij A] zich na 10 maart 2024 niet beschikbaar heeft gehouden voor het verrichten van werkzaamheden en zonder haar medeweten en zonder haar instemming voor derden, waaronder restaurant [restaurantnaam 2] te [plaats] , heeft gewerkt. [partij A] heeft dat betwist. Hij stelt dat hij sinds van 10 maart 2024 tot 15 november 2024 voortdurend in opdracht van [partij B] bij derden is tewerkgesteld zoals bij restaurant [restaurantnaam 2] . 5.
- De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Het was de verantwoordelijkheid van [partij B] als werkgever om [partij A] te werk te stellen. Uit de salarisbetalingen kan worden afgeleid dat dat in elk geval deels is gebeurd. Dat [partij A] daarnaast buiten [partij B] om voor anderen werkte blijkt onvoldoende. [partij B] stelt weliswaar dat [partij A] zonder toestemming bij [restaurantnaam 2] werkte maar legt geen stukken over waaruit dat blijkt. Gesteld noch gebleken is bovendien dat [partij B] [partij A] tevergeefs voor werkzaamheden via haar heeft opgeroepen. Voor zover [partij A] buiten [partij B] om voor anderen heeft gewerkt is [partij B] daardoor dus kennelijk niet benadeeld. [partij B] moet het overeengekomen loon dus doorbetalen. Welk loon moet [partij B] betalen? € 3.700,-, € 4.000,- en € 4.171,- 5.
- [partij B] is met [partij A] een salaris van € 3.700,- overeengekomen op basis van het feit dat hij kennismigrant was. Dit loon moet dus betaald worden. Dat [partij B] ervoor heeft gekozen om [partij A] lager gekwalificeerd werk laten te verrichten ontslaat haar niet van de verplichting om het overeengekomen loon te betalen. Het normbedrag voor kennismigranten is met ingang van 1 januari 2024 verhoogd naar € 3.909,-. Vanaf die datum moet dus mimimaal dat bedrag worden betaald. Gebleken is echter dat [partij B] zelf een salaris van € 4.000,- per maand aan IND heeft opgegeven (zie onder 2.5). De kantonrechter neemt dat tot uitgangspunt. Dat betekent dat vanaf 1 januari 2024 € 4.000,- bruto per maand betaald moet worden. [partij B] is dan ook gehouden om de betalingen aan te vullen tot deze bedragen. Met ingang van 1 januari 2025 is het normbedrag voor de kennismigrant verhoogd naar € 4.171,-. Aangezien er vanwege het ontslag op staande voet geen nieuwe afspraken zijn gemaakt, zal dit normbedrag tot uitgangspunt worden genomen. Is het ontslag op staande voet rechtsgeldig? Nee 5.
- [partij B] stelt een dringende reden voor ontslag op staande voet te hebben, eruit bestaande dat [partij A] niet meer over een verblijfsvergunning beschikt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet als een dringende reden aan de zijde van [partij A] aan te merken. Vaststaat immers dat de verblijfsvergunning is ingetrokken omdat [partij B] ervoor heeft gekozen om [partij A] veel minder te betalen dan het normbedrag dat voor kennismigranten geldt. Het intrekken van de verblijfsvergunning is dan ook niet veroorzaakt door gedragingen van [partij A] , maar door gedragingen van [partij B] zelf. 5.
- [partij B] heeft nog aangevoerd dat [partij A] zonder toestemming bij [restaurantnaam 2] werkte en dat hij door voor een niet erkende referent te werken zijn verblijfsvergunning op het spel heeft gezet. 5.
- De kantonrechter overweegt hierover het volgende. In de eerste plaats is de stelling dat [partij A] buiten [partij B] om voor [restaurantnaam 2] werkte niet onderbouwd (zie onder 5.6). Bovendien miskent [partij B] dat de verblijfsvergunning niet is ingetrokken vanwege het werken bij een niet-erkende referent maar uitsluitend vanwege het niet betalen van het vereiste normsalaris door [partij B] . Het gestelde kan dan ook niet bijdragen aan de vermeende dringende reden. 5.
- Er is dus geen sprake van een dringende reden, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Het ontslag op staande voet zal dan ook vernietigd worden en de gevraagde verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt zal worden toegewezen. Het loonverzoek 5.
- Het voorgaande heeft tot gevolg dat het loonverzoek vanaf 15 november 2024 toewijsbaar is zoals omschreven onder 4 van het verzoek. Het verweer van [partij B] dat het onaanvaardbaar is om het volledige loon toe te wijzen wordt verworpen. Dat de verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als kennismigrant met terugwerkende kracht is ingetrokken is immers uitsluitend aan [partij B] zelf te wijten. De gevolgen daarvan dienen dan ook volledig voor rekening van [partij B] te komen. De verzochte wettelijke verhoging is eveneens toewijsbaar. De kantonrechter ziet vanwege de ernst van de feiten geen reden tot matiging ervan. De wettelijke verhoging wordt dus conform art. 7:625 BW bepaald op 50%. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de vervaldata van het verschuldigde salaris. 5.
- Vaststaat dat [partij B] [partij A] vanaf de indiensttreding minder heeft betaald dan het overeengekomen salaris. Zij zal daarom worden veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, conform het verzoek onder 5, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging en met de wettelijke rente hierover. 5.
- Het verzoek van [partij A] om [partij B] te veroordelen tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties en de inmiddels verschuldigde jaaropgaven is eveneens toewijsbaar maar de termijn die [partij B] daarvoor krijgt zal worden bepaald op vier weken na betekening van de beschikking. Aan de veroordelingen zal een dwangsom worden gekoppeld van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-. 5.
- [partij A] heeft er onder meer vanwege de nog lopende procedure over zijn verblijfsvergunning belang bij dat [partij B] tijdig de juiste afdracht van de wettelijke loonheffingen en premies doet aan de Belastingdienst, UWV en overige overheidsinstanties. Het verzoek om [partij B] daartoe te veroordelen op straffe van een dwangsom zal daarom worden toegewezen waarbij de termijn wordt bepaald op vier weken na betekening van de beschikking. Ook deze dwangsom wordt bepaald op € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-. Proceskosten 5.
- [partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [partij A] die op basis van een toevoeging procedeert worden als volgt begroot: € 1.311,- bestaande uit € 90,- aan griffierecht, € 1.086,- aan salaris gemachtigde en € 135,- aan nakosten. De vergoeding voor het salaris moet door de gemachtigde worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de gemachtigde toegekende vergoeding. 5.
- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. In de gevraagde voorlopige voorziening 5.
- Nu geen afzonderlijke behandeling van de voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden en meteen uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, heeft [partij A] geen belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Deze wordt dus afgewezen. [partij A] moet daarvan de proceskosten dragen maar omdat het instellen van de voorlopige voorziening niet tot noemenswaardige meerkosten heeft geleid voor [partij B] c.s. worden deze begroot op nihil. In het tegenverzoek 5.
- Vaststaat dat [partij B] c.s. het tegenverzoek pas in de namiddag van 28 maart 2025 (de laatste werkdag voor de zitting) heeft ingediend terwijl de gemachtigden in elk geval sinds 17 februari 2024 bekend waren met het verzoekschrift en dus ruimschoots de tijd hebben gehad voor het opstellen van een verweerschrift. De reden die voor de late indiening is gegeven, namelijk dat [naam 2] in Turkije was vanwege het overlijden van een nichtje, overtuigt niet. In de eerste plaats wijkt die reden af van de voor het verzoek om uitstel van de zitting gegeven argument namelijk ‘het einde van de Ramadan en Suikerfeest’. Dit laatste was volgens [naam 2] verzonnen om niet te hoeven zeggen het nichtje was overleden. Wat daar ook van zij, [partij B] c.s. heeft niks overgelegd waaruit de juistheid van de gestelde omstandigheid kan blijken. Maar afgezien daarvan had het, als er bijzondere omstandigheden waren die ertoe moesten leiden dat het verweerschrift zeer laat zou worden ingediend, op de weg van de gemachtigden van [partij B] c.s. gelegen om (de gemachtigde van) [partij A] hierover tijdig te informeren zodat hij daarmee rekening kon houden. Dat hebben de gemachtigden van [partij B] c.s. echter niet gedaan. De gang van zaken, in onderlinge samenhang bezien, leidt naar het oordeel van de kantonrechter ertoe dat het tegenverzoek in strijd met de goede procesorde moet worden beschouwd en alleen al om die reden moet worden afgewezen. 5.
- Voor het ingediende ontbindingsverzoek geldt bovendien dat dit niet is vermeld in het petitum van het ‘verweerschrift/zelfstandig tegenverzoek’. Aangezien het petitum leidend is voor hetgeen is verzocht, had de ontbinding ook om die reden niet toegewezen kunnen worden (art. 23 Rv). 5.
- Het verzoek van [partij B] tot betaling van kosten voor huisvesting en zorgverzekering zou bovendien niet toewijsbaar zijn omdat [partij B] daarvoor geen toereikende onderbouwing heeft aangeleverd en er in de schriftelijke arbeidsovereenkomsten met [partij B] geen afspraken over deze kosten zijn gemaakt. 5.
- De proceskosten van het tegenverzoek komen voor rekening van [partij B] maar de kantonrechter neemt aan dat het instellen van het tegenverzoek niet tot noemenswaardige meerkosten voor [partij A] heeft geleid zodat deze worden deze begroot op nihil. 6De beslissing De kantonrechter: in de voorlopige voorziening: 6.
- wijst het verzoek af; 6.
- veroordeelt [partij A] in de proceskosten aan de zijde van [partij B] c.s. welke worden begroot op nihil; in de hoofdzaak: ten aanzien van [partij B] 6.
- vernietigt het op 15 november 2024 aan [partij A] gegeven ontslag op staande voet; 6.
- verklaart voor recht dat tussen [partij A] en [partij B] sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd; 6.
- veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van het op hem van toepassing zijnde salaris van € 4.000,- bruto per maand vanaf 16 november 2024 tot en met 31 december 2024, en van € 4.171,- bruto per maand vanaf 1 januari 2025 te vermeerderen met 8% vakantietoeslag tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhogingen ex art. 7:625 BW van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van volledige betaling; 6.
- veroordeelt [partij B] tot betaling aan [partij A] van het achterstallige salaris: - van € 3.700,- bruto over de maanden februari 2023 tot en met december 2023 waarop de betaalde bedragen in mindering strekken; - van € 4.000,- bruto over de maanden januari 2024 tot en met november 2024 waarop de betaalde bedragen in mindering strekken; te vermeerderen met de wettelijke verhogingen ex artikel 7:625 BW van 50% en met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van volledige betaling; 6.
- veroordeelt [partij B] om binnen vier weken na betekening van deze beschikking aan [partij A] de juiste schriftelijke salarisspecificaties over de maanden februari 2023 tot en met december 2024 te verstrekken, alsmede vanaf januari 2025, evenals de inmiddels verschuldigde schriftelijke jaaropgaven, waarin de bruto bedragen van de desbetreffende van toepassing zijnde lonen, de netto equivalenten daarvan alsmede de verrichte inhoudingen worden weergegeven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat [partij B] die verplichting niet of niet volledig nakomt met een maximum van € 10.000,-; 6.
- veroordeelt [partij B] om binnen vier weken na betekening van deze beschikking over te gaan tot het afdragen van de correcte loonheffingen over het aan [partij A] op basis van deze beschikking toekomende salaris en om de belastingdienst, het UWV en IND te informeren over de hoogte van het salaris en om [partij A] daarvan schriftelijke bewijsstukken te verstrekken waaruit de nakoming hiervan blijkt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat [partij B] die verplichting niet of niet volledig nakomt met een maximum van € 10.000,-; 6.
- veroordeelt [partij B] in de kosten van de procedure die aan de kant [partij A] worden begroot op € 1.311,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [partij B] ook de kosten van betekening betalen; 6.
- veroordeelt [partij B] in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.
- wijst het meer of anders verzochte af; ten aanzien van [partij C] 6.
- wijst de verzoeken af; 6.
- veroordeelt [partij A] in de kosten van de procedure die aan de kant [partij C] worden begroot op nihil; in het tegenverzoek 6.
- wijst alle tegenverzoeken af; 6.
- veroordeelt [partij B] c.s. in de kosten van de procedure die aan de kant [partij A] worden begroot op nihil. Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Jongsma en uitgesproken ter openbare zitting van 28 april 2025.