RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.33955 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 19 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft op 24 juli 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Hij heeft tevens verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage en de verslagen van vier vertrekgesprekken overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 31 juli 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld. Overwegingen Toetsingskader
- Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- Uit de uitspraak van 10 juni 2025 (in de zaak NL25.23648) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 4 juni 2025) rechtmatig is. Beoordeling voortduren van de maatregel van bewaring
- Eiser stelt dat op basis van de door verweerder verstrekte informatie niet kan worden betoogd dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije is komen te ontbreken of dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Eiser refereert zich daarom aan het oordeel van de rechtbank. Ook de rechtbank ziet ambtshalve en in navolging van eiser geen grond voor het oordeel dat het voorduren van de bewaring op enig moment tot het sluiten van het onderzoek (op 4 juni 2025) onrechtmatig is te achten. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.