RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36057 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 31 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum]
- Grondslag ophouding
- Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden, omdat zijn identiteit in het strafrechtelijk traject al zou zijn vastgesteld en hij eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Zijn identiteit en nationaliteit zijn dan ook reeds bekend bij verweerder. Verweerder had eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw moeten ophouden.
- Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2021, volgt dat bij de ophouding de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen, maar dat dit niet betekent dat die identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard. Tijdens de ophouding beschikte eiser niet over enig identiteitsdocument, zodat verweerder hem met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw mocht ophouden. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in haar uitspraak van 8 augustus
- Daarbij volgt uit het proces-verbaal ophouding en onderzoek dat een onderzoek heeft plaatsgevonden naar eisers identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
- Eveneens faalt het betoog van eiser dat zijn identiteit op het moment van de ophouding al vanuit zijn eerder doorlopen asielprocedure bekend kon zijn. Nog daargelaten de vraag of verweerder in zijn algemeenheid tot een dergelijk dossieronderzoek is gehouden, stelt verweerder zich gelet op de korte periode van strafrechtelijke aanhouding terecht op het standpunt dat voorafgaand aan de ophouding niet het gehele asieldossier kon worden doorgenomen, op zoek naar een document ter vaststelling van de identiteit van eiser. De maatregel van bewaring
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser: - 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: - 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; - 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
- Eiser heeft de zware gronden en lichte gronden betwist met uitzondering van de zware grond 3b, en daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van grond 3a voert eiser aan dat hij zijn paspoort en identiteitsdocumenten is verloren en hij geen nieuwe documenten kan verkrijgen zonder een geboorteakte. Daarnaast wijst eiser erop dat bij zijn eerdere overdracht op 29 mei 2024 naar Oostenrijk, zijn personalia en documenten zijn gebruikt, zodat de zware grond 3d niet aan hem kan worden tegengeworpen. Voor de lichte grond 4a verwijst eiser naar hetgeen hij daarover heeft opgemerkt met betrekking tot de zware grond 3a. Weliswaar staat eiser niet ingeschreven in het BRP maar hij beschikt wel over een kamer in Rotterdam en over voldoende middelen van bestaan uit arbeid. Bij zijn strafrechtelijke aanhouding beschikte eiser over € 1200, waarvan hij heeft verklaard dat dit afkomstig is van werkzaamheden op de markt met vrienden. Alle lichten gronden worden dus ten onrechte aan eiser tegengeworpen.
- De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond 3b niet heeft betwist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook de zware grond 3a terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Deze is feitelijk juist. Eiser heeft namelijk verklaard geen identiteitsdocumenten te hebben, zijn Algerijnse paspoort te zijn kwijtgeraakt en geen stappen te hebben ondernomen om aan nieuwe documenten te komen. Bovendien heeft hij verklaard dat hij op illegale wijze, zonder paspoort, de Europese Unie via Hongarije en vervolgens Nederland is binnen gekomen, terwijl hij niet in het bezit was van een geldig identiteitsdocument.
- De twee zware gronden onder 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen en een significant risico op onderduiken aan te nemen. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste gronden om die reden onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel
- Eiser meent dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hij beschikt over een kamer in Rotterdam, waarvan het adres nu bij verweerder bekend is en hem een meldplicht opgelegd had kunnen worden.
- Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het risico op onderduiken te ondervangen. Zoals reeds overwogen onder rechtsoverwegingen 7 en 8, zijn de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Daarnaast heeft eiser verklaard terug te willen keren naar Frankrijk. Het is daarom niet aannemelijk dat een lichter middel zal leiden tot het beoogde resultaat, een overdracht aan Oostenrijk. Verder is niet gebleken van feiten en omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien een lichter middel dan bewaring op te leggen. De stelling van eiser dat hij traceerbaar is nu hij in een woning in Rotterdam verblijft, leidt gelet op het risico op onderduiken niet tot een andere conclusie. Voortvarend handelen
- Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht. Hij zit sinds 31 juli 2025 in bewaring en is eerder aan Oostenrijk overgedragen, zodat de overdracht volgens eiser snel kan worden gerealiseerd.
- De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat voldoende voortvarend wordt gewerkt aan zijn overdracht. Na de inbewaringstelling is onderzocht of Frankrijk dan wel Oostenrijk verantwoordelijk is voor de inhoudelijke asielaanvraag van eiser. Op 5 augustus 2025 is een verzoek tot overname verstuurd naar de Oostenrijkse autoriteiten, welke op 12 augustus 2025 is geaccepteerd. Op diezelfde dag heeft verweerder een overdrachtsbesluit genomen. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers overdracht. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Ambtshalve toetsing
- De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 15 augustus 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
- ECLI:NL:RVS:2021:134, r.o. 4.
- ECLI:NL:RVS:2025:
- Verordening (EU) Nr. 604/
- artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.