Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 23-8034 (echtscheiding) FA RK 24-5268 (verdeling) Zaaknummers: C/09/656400 (echtscheiding) C/09/669883 (verdeling) Datum beschikking: 15 mei 2025 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 27 oktober 2023 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: eerst mr. M.B. Brouwer, nu mr. B. du Fossé te Eindhoven. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. N.M. Zeeman te Zoetermeer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met 2 producties, van de zijde van de man; het F9-formulier van 20 november 2023, met bijlage, van de zijde van de man; het op 19 december 2023 ingekomen verweerschrift van de zijde van de vrouw; de op 9 februari 2024 ingekomen voorwaardelijke zelfstandige verzoeken, met producties 1 tot en met 3, van de zijde van de vrouw; het op 13 februari 2024 ingekomen aanvullend verzoekschrift, met 2 producties, van de zijde van de man; het op 22 mei 2024 ingekomen verweerschrift tegen de voorwaardelijke zelfstandige verzoeken, met aanvullende verzoeken en met producties 1 tot en met 18, van de zijde van de man; het op 17 juli 2024 ingekomen verweerschrift op de aanvullende verzoeken, met producties 4 en 5, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 19 maart 2025, met aanvullende verzoeken en met producties 19 tot en met 22, van de zijde van de man; het F9-formulier van 24 maart 2025, met 3 producties, van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 31 maart 2025, met producties 23 tot en met 25, van de zijde van de man. Op 3 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Feiten De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 1998 te [plaats 1] . Zij zijn de ouders van de volgende inmiddels meerderjarige kinderen: - [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1999 te [geboorteplaats] ; - [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] . - Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Verzoek en verweer Het verzoek – zoals dat na wijziging en intrekking op de zitting van het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie luidt – strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man, samengevat inhoudende: o bepaling dat de woning te [plaats 2] wordt verkocht conform het door de man voorgestelde spoorboekje; o verdeling van de bank- en spaarrekeningen; o toedeling van de auto van het merk Peugeot 108 aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw om aan de man de helft van de waarde te voldoen; o bepaling dat partijen de belastingaanslagen/-teruggaven 2023 bij helfte zullen dragen c.q. verdelen; o verdeling van de inboedel, waarbij de in productie 21 opgenomen goederen aan de man worden toegedeeld en de overige goederen aan de vrouw; o bepaling dat de vrouw aan de gemeenschap € 6.700,- dient te vergoeden, waarna bedrag bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld; o bepaling dat de vrouw inzage dient te verschaffen in de bankafschriften van alle op haar naam staande bankrekeningen over de periode van 15 augustus 2023 tot en met 27 oktober 2023; - veroordeling van de vrouw tot betaling van een gebruikersvergoeding voor het gebruik door de vrouw van zijn aandeel in de echtelijke woning met ingang van 1 januari 2025; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.679,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 7 februari 2024, dan wel met ingang van 24 maart 2024, dan wel met ingang van de datum van de beschikking, dan wel een in goede justitie te bepalen ingangsdatum en bijdrage; vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw, samengevat inhoudende: o bepaling dat aan de vrouw een vergoedingsrecht toekomt uit hoofde van de door haar onder uitsluiting ontvangen erfenis; o bepaling dat de woning te [plaats 2] zal worden verkocht nadat de vrouw een passende andere woning heeft, waarbij de overwaarde bij helfte wordt gedeeld na vergoeding van de vrouw ter zake van de erfenis; o toedeling van de auto van het merk Peugeot 108 aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw om aan de man de helft van de waarde te voldoen; bepaling dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap ter zake van de aan haar toegekomen erfenis; voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel tot na het eindexamen van [jongmeerderjarige 2] in juli 2025 dan wel voor de duur van 6 maanden na inschrijving echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding De man stelt zich op het standpunt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt de echtscheiding uit te spreken. De vrouw betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Volgens de vrouw heeft de man wisselende signalen over zijn wens om te scheiden. De rechtbank overweegt dat indien één van beide echtgenoten het huwelijk niet wenst voort te zetten, dit voldoende is om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. Omdat de man tijdens de zitting heeft bevestigd dat hij volhardt in zijn wens om van de vrouw te scheiden, stelt de rechtbank vast dat sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank zal het hierop steunende verzoek van de man tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen. Partneralimentatie Bij de vaststelling van de partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen voor wie partijen onderhoudsplichtig waren. Tussen partijen is in geschil met welke inkomens moet worden gerekend bij de bepaling van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Volgens de vrouw moet met de inkomens van 2023 van partijen worden gerekend, omdat zij in oktober 2023 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Volgens de man is dat jaar niet representatief voor de huwelijkse welstand, omdat de vrouw tijdens het huwelijk een beperkt inkomen had en pas een jaar voor het feitelijk uiteengaan meer is gaan verdienen. De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw wordt aangesloten bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Gelet op de discussie tussen partijen dient de rechtbank te beoordelen of de huwelijksgerelateerde welstand van partijen is verhoogd nadat de vrouw meer is gaan verdienen. Gedurende het huwelijk van partijen van meer dan 25 jaar heeft de vrouw altijd parttime gewerkt bij Didi tot het faillissement van Didi in 2020. De vrouw ontving van 2020 tot en met 2022 een WW-uitkering. Blijkens de overgelegde stukken bedroeg haar WW-uitkering € 9.981,- bruto in 2020, € 8.566,- bruto in 2021 en € 8.913,- bruto in 2022. Op 1 februari 2023 is de vrouw in dienst is getreden bij OWM Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid u.a. met een arbeidsovereenkomst voor 32 uur per week, zo blijkt uit de door haar overgelegde salarisspecificaties. Zij had in 2023 een inkomen van € 27.243,- bruto. Het gemiddelde inkomen van de vrouw in de drie jaren (2021 tot en met 2023) voorafgaande aan het beëindigen van de samenleving bedraagt [(8.566 + 8.913 + 27.243) / 3] € 14.907,- per jaar. De rechtbank acht het redelijk om van dit gemiddelde inkomen uit te gaan, omdat de rechtbank het aannemelijk acht dat de vrouw ook ongeveer dit inkomen had voordat Didi failliet ging. Dit vermoeden stoelt de rechtbank op de WW-uitkering van de vrouw van 2020. Ervan uitgaande dat die uitkering 70% bedroeg van haar laatstverdiende salaris, bedroeg het inkomen van de vrouw bij Didi [(9.981 / 70) * 100] € 14.259,- bruto per jaar. Op basis van een gemiddeld inkomen van € 14.907,- bruto per jaar, en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.217,- per maand. Bij de berekening van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van zijn inkomen in 2023 van € 56.056,- bruto, zoals blijkt uit de door hem overgelegde aangifte inkomstenbelasting van dat jaar. Dit bedrag dient te worden verminderd met de fiscale bijtelling van de auto van € 291,- per maand. Op basis hiervan, en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.207,- per maand. De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op (1.217 + 3.207) € 4.466,- per maand. Hiervan worden de kosten van [jongmeerderjarige 2] afgetrokken van – volgens de berekening – € 625,- per maand. Omdat [jongmeerderjarige 1] 24 jaar, en dus meerderjarig, was in 2023 houdt de rechtbank geen rekening met zijn kosten. Na aftrek van de kosten van [jongmeerderjarige 2] , was een bedrag van € 3.841,- beschikbaar voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.305,- netto per maand (60% van € 3.841 per maand). Op basis van het huidige inkomen van de vrouw, dat blijkens de overgelegde jaaropgave 2024 € 32.284,- bruto bedraagt, berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 2.408,- per maand. Nu het inkomen van de vrouw hoger is dan de hiervoor berekende behoefte van € 2.305,- netto per maand, concludeert de rechtbank dat de vrouw geen aanvullende behoefte aan partneralimentatie heeft. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bedrag aan partneralimentatie afwijzen. Voortgezet gebruik echtelijke woning De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel tot na het eindexamen van [jongmeerderjarige 2] in juli 2025 dan wel voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De man heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het voortgezet gebruik, als er maar een einddatum aan zit. De verzochte zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vindt de man echter te lang, omdat hij zeker weet dat deze termijn door de vrouw dan maximaal zal worden benut en neer zal komen op nog negen maanden gebruiksrecht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende belang heeft bij haar verzoek, omdat zij nog met beide kinderen van partijen in de woning woonachtig is. Op de zitting is duidelijk geworden dat de vrouw nog veel moeite heeft met de echtscheiding. Met partijen is duidelijk besproken dat de echtscheiding er nu echt gaat komen en dat de vrouw de echtscheiding niet kan tegenhouden. De vrouw heeft dan nu nog ruim de tijd om uit te kijken naar vervangende woonruimte. Gebruiksvergoeding De man heeft een gebruiksvergoeding verzocht met ingang van 1 januari 2025, in die zin dat de vrouw de eigenaarslasten van de woning volledig voor haar rekening dient te nemen naast de gebruikerslasten. De vrouw heeft verweer gevoerd en stelt, onder verwijzing naar ECLI:NL:GHSGR:2011:BT9456, dat beide partijen gerechtigd zijn tot het gebruik van de woning en de man er zelf voor heeft gekozen daarvan geen gebruik te maken. Bovendien heeft de vrouw de volledige kosten voor de kinderen gedragen, wat doorloopt tot de woning wordt verkocht. De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op het feit dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning woont, zij geen partneralimentatie zal ontvangen en op de zitting is gebleken dat de woonlasten van de man op dit moment beperkt zijn, acht de rechtbank het onredelijk om een gebruiksvergoeding vast te stellen. Nog daargelaten dat de man niet heeft gesteld en onderbouwd wat de hoogte van de gebruiksvergoeding zou moeten zijn. Dit verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat gold voor 1 januari 2018, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de huwelijksgemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten wordt verdeeld. Peildatum omvang en samenstelling De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 27 oktober 2023, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, heeft te gelden. Voor de waardering heeft – voor zover de echtgenoten niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Omvang De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die (eventueel) in de verdeling dienen te worden betrokken: de (voormalige) echtelijke woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats 2] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen bij NIBC Direct Hypotheken B.V.; de bank- en spaarrekeningen; de auto van het merk Peugeot 108 met kenteken [kenteken] ; de belastingaanslagen-/teruggaven de inboedel. De rechtbank dient verder een oordeel te geven over: 6. de verzochte vergoeding van de vrouw uit hoofde van de erfenis. Ad 1. de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen De man wil dat de woning wordt verkocht en heeft daartoe een spoorboekje opgesteld waarvan hij de rechtbank verzoekt dat te volgen. De vrouw zou het liefst in de woning blijven wonen en zij had gehoopt dat partijen daar in onderling overleg nog uit zouden komen. Zij wil in ieder geval dat de woning pas wordt verkocht na de eindexamens van [jongmeerderjarige 2] in mei 2025 en/of nadat de vrouw passende woonruimte heeft gevonden. De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw om in de voormalige echtelijke woning te blijven wonen. Echter is niet gebleken dat de vrouw financieel in staat is om de woning over te nemen. Zoals op de zitting al is besproken, zal de woning dus moeten worden verkocht. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de echtelijke woning en de hypothecaire geldlening de wijze van verdeling vaststellen conform het door de man in zijn F9-formulier van 19 maart 2025 opgenomen spoorboekje. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om op te nemen dat deze beschikking dezelfde kracht zal hebben als de handtekening en parafen van de vrouw zoals opgenomen in randnummers 4, 11 en 12 van het door de man verzochte spoorboekje. Nu duidelijk op de zitting is besproken dat de woning verkocht zal worden, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw hieraan haar medewerking zal verlenen. De man heeft verzocht te bepalen dat de verkoop in gang kan worden gezet één week na ontvangst van deze beschikking. De rechtbank zal deze termijn bepalen op één week na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, mede omdat de vrouw voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking het voortgezet gebruik van de woning heeft. Ad 2. de bank- en spaarrekeningen Bankrekening op naam van de man Tussen partijen is niet in geschil dat de Rabobank betaalrekening van de man met IBAN [rekeningnummer 1] aan de man kan worden toegedeeld, onder de verplichting aan de man om de helft van het saldo op de peildatum van € 2.090,76 aan de vrouw te voldoen. Gezamenlijke bankrekening Verder is niet in geschil dat het saldo van de gezamenlijke Rabobank betaalrekening met IBAN [rekeningnummer 2] per de datum van de verkoop van de echtelijke woning zal worden verdeeld, omdat die rekening nog wordt gebruikt voor de voldoening van de vaste lasten. De gezamenlijke betaalrekening kan daarna worden opgeheven. Dit zal worden opgenomen in het spoorboekje bij de verdeling van de echtelijke woning. Bankrekeningen op naam van de vrouw In geschil tussen partijen is hoe het zit met de bankrekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.