← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:15219

Rechtbank Den HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-2681 Zaaknummer: C/09/683327 Datum beschikking: 22 mei 2025 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 10 april 2025 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland, advocaat: mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, ingeschreven op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland, feitelijk verblijvende in India, advocaat: eerst mr. A.L. Weterings te Leiden, nu zonder advocaat. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met producties; - het F9-formulier van 8 mei 2025, met producties, van de zijde van de vader. Op 15 mei 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en bijgestaan door M.G.A. Bink, een tolk in de Engelse taal. Namens de Raad voor de Kinderbescherming was [naam] aanwezig. De moeder is opgeroepen per gewone en aangetekende post op het in de basisregistratie personen geregistreerde adres, het laatst bekende adres in India, per e-mail via [e-mailadres] en per advertentie in de Staatscourant van 22 april 2025, nr.

  1. Nadat de moeder op 30 april 2025 per e-mail contact heeft gezocht met de rechtbank, heeft de rechtbank haar verwezen naar het Centrum voor Internationale Kinderontvoering. Op 2 mei 2025 heeft mr. A.L. Weterings zich gesteld als advocaat voor de moeder en is gevraagd om toestemming te verlenen voor een videolink voor de zitting omdat de moeder in India verblijft en niet in de gelegenheid is om naar Nederland te reizen. Op 8 mei 2025 heeft mr. A.L. Weterings zich onttrokken als advocaat voor de moeder. Op 13 mei 2025 heeft de rechtbank een videolink voor de zitting toegezonden aan de moeder. Hoewel de moeder op de hoogte was van de zitting en haar de mogelijkheid is geboden hierbij digitaal aanwezig te zijn, is zij niet op de zitting verschenen. Verzoek en verweer De vader heeft verzocht: de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te bevelen, naar [plaats 2] , althans Nederland, met onmiddellijke ingang althans uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en wijze, waarbij de moeder [minderjarige] dient terug te brengen naar Nederland; indien de moeder nalaat [minderjarige] terug te brengen binnen de door de rechtbank te stellen termijn – te bevelen dat de moeder [minderjarige] , het paspoort en overige benodigde geldige reisdocumenten van [minderjarige] aan de vader zal afgeven, onmiddellijk, althans op een door de rechtbank te bepalen datum en wijze, zodat hij [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Nederland; de moeder te veroordelen tot betaling van een nog te specificeren bedrag aan de vader ter zake van de gemaakte (proces)kosten die de vader heeft moeten maken en nog zal maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder heeft geen verweer gevoerd. Feiten Partijen zijn gehuwd op [datum] 2018 te [plaats 1] , India. Zij zijn de ouders van de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , India. Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. De moeder is met [minderjarige] op familiebezoek gegaan naar India van 8 tot 23 augustus
  2. Zij is daarna niet meer teruggekeerd. De vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Indiase nationaliteit. De vader heeft zich op 31 maart 2025 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer] . Beoordeling Rechtsmacht De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober
  3. Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen. Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, wat betekent dat [minderjarige] is overgebracht vanuit Nederland naar een ander land. Dit land – India – is geen partij bij het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke niet door het Verdrag bestreken gevallen geregeld door artikel 3 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats van de vader (verzoeker) is in Nederland. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085). Hoewel India geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020). Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Op 7 augustus 2024 heeft de vader een toestemmingsformulier getekend voor een vakantie van [minderjarige] met de moeder naar India van 8 augustus tot 23 augustus
  4. De moeder is na die periode niet teruggekeerd vanuit India met [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank staat niet ter discussie dat [minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar India zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Verder staat vast dat de vader naar Nederlands recht samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] is belast, omdat zij gehuwd zijn, en dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de vasthouding, dan wel zou zijn uitgeoefend als de vasthouding niet had plaatsgevonden. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de vasthouding in India na 23 augustus 2024 en dat dit is gebeurd in strijd met het gezagsrecht van de vader. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de vasthouding van [minderjarige] in India aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [minderjarige] in India en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige] in India is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. Weigeringsgronden Nu niet gebleken is van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag – hierop is ook geen beroep gedaan – dient de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige] te volgen. Teruggeleiding naar Nederland De vader heeft de rechtbank verzocht de teruggeleiding van [minderjarige] te gelasten naar [plaats 2] , althans Nederland. De rechtbank is van oordeel dat het niet in lijn is met de aard en strekking van het Verdrag om teruggeleiding te gelasten naar een specifieke plaats. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verzoek van de vader om de teruggeleiding van [minderjarige] te gelasten naar deze specifieke plaats en zal de teruggeleiding van [minderjarige] naar Nederland gelasten. De rechtbank zal de teruggeleiding van [minderjarige] bevelen op de na te melden wijze, waarbij afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel [minderjarige] terug te geleiden naar Nederland. De rechtbank merkt nog op dat de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting naar voren heeft gebracht dat de Raad zijn verantwoordelijkheid zal nemen voor een ‘soft landing’ van [minderjarige] in Nederland. Dit houdt in dat de Raad onderzoek doet naar mogelijke risico’s bij terugkeer van het kind en indien nodig een veiligheidsplan maakt. Ook kan worden gezorgd voor vrijwillige hulpverlening. Op die manier werkt de Raad zoveel mogelijk aan een veilige en stabiele omgeving voor een kind dat vanuit het buitenland terugkeert naar Nederland. De Raad heeft tevens naar voren gebracht dat hij zo nodig (video)contacten kan begeleiden. Uitvoerbaar bij voorraad Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk terugkeert naar Nederland, zodat de rechtbank het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zal toewijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 10 juni 2025, zijnde de derde (werk)dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend. Kosten De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen in de kosten die de vader heeft moeten maken en nog zal maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding. De vader heeft deze kosten niet nader opgegeven en gespecificeerd, zodat de rechtbank dit verzoek afwijst. Beslissing De rechtbank: * gelast de terugkeer van de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , India, naar Nederland uiterlijk op 10 juni 2025, waarbij de moeder de minderjarige [minderjarige] dient terug te brengen naar Nederland en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige [minderjarige] terug te brengen naar Nederland, dat de moeder de minderjarige [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 10 juni 2025, opdat de vader de minderjarige [minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Nederland; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei
  5. Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.