← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:15607

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.965 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Sánchez Rhemrev). Procesverloop Bij besluit van 14 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen

  1. Eiser verblijft niet langer in Nederland. Hij is op 20 december 2024 uitgezet naar Groot-Brittannië. Vaststaat dat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland op het moment dat het bestreden besluit werd genomen. Verweerder was dan ook gehouden om tegen eiser een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
  2. Verweerder heeft hierbij aan eiser een vertrektermijn onthouden, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank volgt niet dat in afwijking van het terugkeerbesluit uit het verhoor en mededelingen aan eiser een terugkeertermijn van vier weken kan worden afgeleid. In de motivering van het terugkeerbesluit is ondubbelzinnig vermeld dat eiser onmiddellijk dient te vertrekken. Ook ligt het ontbreken van een vertrektermijn ten grondslag aan het uitgevaardigde inreisverbod.
  3. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd een risico op onttrekking aan het toezicht aangenomen. Eiser heeft de hem toegestane verblijfsduur in Nederland overschreden, zonder zijn illegale verblijf te melden bij de autoriteiten. De bewaringsrechter heeft in zijn uitspraak van 27 december 2024 al vastgesteld dat daarom aan eiser terecht de zware grond 3b is tegengeworpen. De rechtbank ziet geen reden om daar nu anders over te denken. Dat eiser stelt dat hij niet de bedoeling heeft gehad om zich te onttrekken, doet aan de feitelijke juistheid van grond 3b niet af. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet is ingeschreven in de Basisregistratie Personen, dus geen vaste- woon of verblijfplaats in Nederland heeft en daardoor niet beschikbaar is voor de verwijderingsprocedure. Deze beide gronden zijn voldoende om een risico op onttrekking aan te nemen. De overige opgenomen en door eiser betwiste gronden hoeven daarom niet te worden besproken.
  4. Gezien het aan te nemen risico op onttrekking heeft verweerder aan eiser een vertrektermijn kunnen onthouden. Verweerder was daarom in beginsel gehouden om tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit op grond waarvan verweerder van het inreisverbod had moeten afzien of de duur ervan verder had moeten beperken.
  5. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit voldoende is gehoord over zijn belangen. Zoals in het verweerschrift is opgemerkt, is eiser hierbij gevraagd naar mogelijke familie in Nederland of de Europese Unie, naar medische omstandigheden, zakelijke belangen en naar overige redenen of bijzondere omstandigheden waarom geen inreisverbod zou moeten worden opgelegd. Eiser heeft daarop niets naar voren gebracht wat voor verweerder reden had moeten zijn om een ander besluit te nemen. Niet valt in te zien waarom eiser, zoals hij nu stelt, op de hem gestelde vragen niet had kunnen verklaren over zijn gestelde vriendin in Nederland of zijn familie en vrienden in andere lidstaten.
  6. Het beroep is ongegrond. Er is geen grond voor enige schadevergoeding.
  7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en het proces-verbaal is openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.