← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:15690

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/13773 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: [naam 1] ), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems). Procesverloop Bij besluit van 23 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op 28 juli 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser [naam 1] (referente) en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser is geboren op [datum] 1975 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 1 november 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een visum kort verblijf om op bezoek te gaan bij zijn nicht [naam 1] (referente).
  2. Bij besluit van 27 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om vóór het verstrijken van het visum Nederland weer te verlaten.
  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Daarnaast is de economische en sociale binding van eiser met zijn land van herkomst zeer gering gebleken. Eiser draagt geen verantwoordelijkheid voor een gezin in Marokko en niet gebleken is dat hij de zorg heeft voor directe familieleden in Marokko, dan wel dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser dwingen tijdig naar Marokko terug te keren. Verder heeft eiser met de overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij beschikt over een substantieel en regelmatig inkomen. Gelet op deze omstandigheden is tijdig terugkeer van eiser naar Marokko niet gewaarborgd. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft verweerder afgezien van het horen van eiser.
  4. Eiser voert daartegen aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de sociale binding van eiser met Marokko onvoldoende is. Hoewel eiser een zus in Nederland heeft, wonen de overige familieleden, waaronder zijn moeder, nog in Marokko. Eiser draagt de zorg voor zijn moeder. Zij zijn woonachtig op hetzelfde adres en zijn moeder accepteert geen zorg van anderen dan eiser. Eiser moet na een maand verblijf in Nederland daarom terugkeren naar Marokko. Hij heeft dit onderbouwd met de verklaring van 24 oktober
  5. Verder heeft eiser wel degelijk economische binding met Marokko vanwege zijn werk als boer. Eiser heeft verschillende verklaringen overgelegd om zijn inkomsten te onderbouwen. Ten onrechte twijfelt verweerder aan de herkomst van de stortingen op zijn bankrekening. Verweerder houdt er verder geen rekening mee dat het in ruraal gebied waar eiser vandaan komt gebruikelijk is dat men contant betaalt. Tot slot twijfelt verweerder ten onrechte aan de geloofwaardigheid van de door eiser overgelegde informatie omdat de naam van zijn vader iets afwijkt van de naam zoals doorgeven tijdens zijn eerdere visumaanvraag. Het betreffen hier Arabische varianten van dezelfde naam.
  6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat hij in het bestreden besluit terecht geconcludeerd heeft dat eiser niet in aanmerking komt voor een visum kort verblijf. De in beroep overgelegde declarations sur l’honneur zijn opgesteld op basis van de door eiser zelf overgelegde informatie en vormen daardoor geen objectief verifieerbaar bewijs. Er kan dan ook niet de waarde aan worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien omdat de objectieve onderliggende documenten ontbreken. De rechtbank oordeelt als volgt. Beoordelingskader
  7. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum geweigerd: a. indien de aanvrager: (…) ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond; (…) of b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
  8. Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Uit het arrest Koushkaki blijkt dat verweerder veel beoordelingsruimte heeft bij het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen. Uit artikel 32, tweede lid, van de Visumcode volgt dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de visumaanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI bij de Visumcode. Doel en omstandigheden voorgenomen verblijf
  9. Ter zitting heeft verweerder de afwijzingsgrond dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, laten vallen. Sociale en economische binding
  10. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunten de volgende documenten in bezwaar en beroep overgelegd: bankafschriften van de Attijariwafa Bank van 7 juli 2023 tot en met 26 september 2023; Verklaring van de Attijariwafa Bank van 24 oktober 2023; Administratieve verklaring van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Marokko van 16 oktober 2023; Een gelegaliseerde verklaring (declaration sur l’honneur) van 24 oktober 2024 over de zorg van eiser voor zijn moeder [naam 2] ; En gelegaliseerde verklaring (declaration sur l’honneur) van 24 oktober 2024 over de inkomsten van eiser.
  11. Eiser heeft eerst in beroep aangevoerd dat hij zorg draagt voor zijn moeder en dat zij van hem afhankelijk is. Eiser heeft in dat verband een verklaring overgelegd waarin hij verklaart dat hij de exclusieve zorg draagt voor zijn moeder. Ter zitting heeft referente uitgelegd dat deze verklaring onder ede is afgelegd, dat deze gelegaliseerd is door het stadhuis van de gemeente waar eiser woonachtig is en dat zij ook de juistheid van die verklaring hebben gecontroleerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze verklaring op zichzelf onvoldoende heeft kunnen vinden om aan te tonen dat eiser de exclusieve zorg draagt voor zijn moeder. Zo heeft eiser geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn moeder medische zorg behoeft. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat deze informatie ook niet volgt uit de door eiser overgelegde verklaring. Verweerder heeft daarom kunnen tegenwerpen dat op grond van deze documenten niet is gebleken van een zodanige sociale binding met Marokko dat daarmee tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd.
  12. Eiser heeft verder een verklaring overgelegd van het Ministerie van Binnenlandse Zaken waaruit volgt dat eiser boer is, zes hectare land heeft, driehonderd olijfbomen, tweehonderd amandelbomen, honderd diverse andere bomen, twintig schaapskuddes en vijftien bijenkorven. Daarnaast heeft eiser verschillende bankafschriften overgelegd en een verklaring van de Attijariwafa Bank waaruit volgt dat eiser op 24 oktober 2023 een saldo van 52.620,41 dirham heeft. Verweerder vermeldt als motivering in het bestreden besluit dat er geen aanwijzingen zijn dat de stortingen die zichtbaar zijn op de bankafschriften het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit werk als boer en dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk werkzaamheden verricht en hieruit inkomsten genereert.
  13. In beroep heeft eiser een verklaring overgelegd van 24 oktober 2024 waarin eiser verklaart dat hij aan olijfoliebedrijf [bedrijf] op 25 november 2020, 40 duizend kilo olijven heeft verkocht voor 16 duizend dirham, op 15 november 2021, 50 duizend kilo olijven voor 25 duizend dirham, op 11 november 2022 30 duizend kilo olijven voor 24 duizend dirham en op 30 oktober 2023, 20 duizend kilo olijven voor 20 duizend dirham. Noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift, noch ter zitting heeft verweerder tegengeworpen dat de overgelegde schriftelijke verklaringen onjuist of vals zijn. De motivering van verweerder dat de verklaringen zijn gebaseerd op eisers eigen verklaringen is onvoldoende om reeds daarom niet van de inhoud van de verklaringen uit te gaan. Immers onder de verklaring van 24 oktober 2024 waarin staat dat eiser in de jaren 2020 tot en met 2023 duizenden kilo’s olijven heeft verkocht, prijkt ook het stempel van de afnemer van deze olijven. De rechtbank merkt dat stempel aan als een bevestiging van eisers verklaring. Verweerder is daar niet op in gegaan. Uit de verklaring van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 16 oktober 2024 volg bovendien dat eiser beschikt over 300 olijfbomen. Verweerder heeft deze verklaringen en de documenten van de bank niet in samenhang met elkaar beoordeeld, terwijl daaruit wel volgt dat eiser werkt als boer, bezit heeft, inkomsten genereert en op enig moment een bepaald banksaldo had. Gelet op de bewijswaarde van deze stukken is het standpunt van verweerder dat uit de bankafschriften geen salarisbetalingen zijn te herleiden, onvoldoende om in twijfel te trekken dat eiser daadwerkelijk beschikt over een regelmatig en substantieel inkomen. Ook omdat uit de verklaring van 24 oktober 2024 volgt dat eiser de betalingen contant heeft ontvangen, wat volgens eiser gebruikelijk is het ruraal gebied waar hij woonachtig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom onvoldoende gemotiveerd dat niet is gebleken van voldoende sterke economische banden van eiser met Marokko om tijdige terugkeer te waarborgen. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf te voorzien. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar aan eiser bekend te maken. Vanwege de aard van het geconstateerde gebrek acht de rechtbank het zorgvuldig om eiser te horen over alle door hem ingebrachte documenten.
  15. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 23 juli 2024; - draagt verweerder op binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan op 21 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zoals bedoeld in artikel 32 van de Verordening (EU) nr. 810/2009 (Visumcode). Algemene wet bestuursrecht. Zie het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.