RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.38070 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Tunesische nationaliteit, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. F.A. Broersma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum). Procesverloop
- De minister heeft op 8 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.
- De minister heeft de rechtbank, door middel van een kennisgeving, van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Overwegingen
- Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
- De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 juni 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 6 juni
- Beroepsgronden van eiser
- De gemachtigde van eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, omdat het laatste vertrekgesprek dateert van 30 juli 2025 en eiser ook nog niet in persoon is gepresenteerd. Verder betoogt eisers gemachtigde dat zicht op uitzetting naar Tunesië ontbreekt. Oordeel van de rechtbank
- De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en wat op de zitting is besproken, blijkt dat er, sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure, op 12 juni 2025, 4 juli 2025, 24 juli 2025 en op 15 augustus 2025 (schriftelijk) is gerappelleerd bij de Tunesische autoriteiten. Ook heeft er op 30 juni 2025 en 30 juli 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
- De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Tunesië is. De rechtbank acht van belang dat de minister op de zitting heeft aangegeven dat deze rechtbank eerder, in de hiervoor onder
- genoemde uitspraak, op basis van cijfers over het aantal afgegeven lp’s al heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Tunesië niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in onderhavige procedure daarover anders te oordelen. Dat er geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden bij de Tunesische autoriteiten, maakt dat oordeel niet anders. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de minister voor de vraag of een presentatie nodig is evenals voor de planning daarvoor afhankelijk is van de Tunesische autoriteiten. Er zijn geen aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat zicht op uitzetting specifiek voor eiser ontbreekt. Daar komt nog bij dat deze rechtbank en zittingsplaats in de hiervoor genoemde uitspraak van 13 juni 2025 heeft geoordeeld dat eiser geen medewerking verleend aan zijn uitzetting. In onderhavige procedure is niet gebleken dat eiser nu wel bereidwillig is om zijn medewerking te verlenen. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 30 juni 2025 verklaard dat hij niet naar Tunesië terug wil keren. Dat de bewaring daardoor mogelijk langer duurt komt daarom voor rekening en risico van eiser. Niet is uitgesloten dat, indien eiser zijn volledige medewerking verleent, de Tunesische autoriteiten (sneller) zullen overgaan tot het verlenen van een lp. Ook hierom is het zicht op uitzetting reeds gegeven.
- De rechtbank heeft in de hiervoor onder
- genoemde uitspraak ook geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet
- NL25.23828, ECLI:NL:RBDHA:2025:
- Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:
- Laissez-passer.