Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats 's-Gravenhage ajj/c zaaknummer: 11543147 RP VERZ 25-50119 uitspraakdatum: 16 mei 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. R.J. Michielsen, tegen de stichting Stichting Het Andere Bulgarije, gevestigd te Midden Delfland, kantoorhoudende te Den Hoorn,verwerende partij, hierna te noemen: de Stichting, gemachtigde: mr. S.A.C. Verzaal. 1Het procesverloop 1.
- De kantonrechter heeft kennis genomen van het verzoekschrift met producties, ingekomen op 17 februari 2025, en het verweerschrift met producties. 1.
- Op 9 april 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen [verzoekster] , bijgestaan door de tolk A.P. de Jong en haar gemachtigde. Namens de Stichting zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigden hebben het woord gevoerd overeenkomstig hun spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. Van hetgeen ter zitting is besproken is verder aantekening gehouden door de griffier. De aantekeningen van de griffier bevinden zich in het dossier. De zaak is vervolgens aangehouden teneinde de Stichting in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken in te dienen. De Stichting heeft vervolgens aanvullende stukken ingediend en [verzoekster] heeft daarop gereageerd. Daarna is de uitspraak bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
- De Stichting verzorgt de Bulgaarse School “ [schoolnaam] ”. Deze school is geregistreerd op de lijst van Bulgaarse weekendscholen, beheerd door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschap van Bulgarije (hierna: het Ministerie), en ontvangt subsidie van het Ministerie. Met uitzondering van de directeur zijn bij de Stichting uitsluitend vrijwilligers werkzaam. 2.
- [verzoekster] heeft vanaf 15 september 2024 voor de Stichting educatieve activiteiten uitgevoerd op het gebied van onderwijs voor kinderen aan “ [schoolnaam] ”. 2.
- In twee uit het Bulgaars vertaalde documenten (hierna: de overeenkomsten) met opschrift “Overeenkomst” wordt [verzoekster] aangeduid als “werknemer”, en staat dat zij een bepaald aantal lesuren per lesdag dient te verzorgen tegen een “tarief” per uur van € 15,
- Deze overeenkomsten zijn bedoeld voor het aanvragen van subsidie bij het Ministerie en zijn niet aan [verzoekster] verstrekt. In artikel 10 van de beide overeenkomsten is vermeld: ‘Deze overeenkomst is opgesteld in overeenstemming met het regelgevingskader en de vereisten van het Bulgaarse ministerie van Onderwijs en Wetenschap op grond van Ministeriele beschikking 90 voor de activiteiten van de Bulgaarse zondagsscholen in het buitenland.’ 2.
- De Stichting heeft aan [verzoekster] een document verstrekt, met opschrift (uit het Bulgaars vertaald) “Vrijwilligersovereenkomst 2024-13”. In dit document (hierna: de vrijwilligersovereenkomst) wordt [verzoekster] aangeduid als “vrijwilliger”. In de vrijwilligersovereenkomst is vermeld dat [verzoekster] (die dan weer als “werknemer” wordt aangeduid) in de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 onderwijsactiviteiten zal verrichten. In artikel 3 staat dat de maximale bezoldiging wordt bepaald door de belastingdienst voor de aangegeven periode. 2.
- Op 27 oktober 2024 heeft [verzoekster] van de Stichting zes betalingen ontvangen van € 210,00, met als omschrijving: ‘Bezoldiging (…)-2024, volgens vrijwilligersovereenkomst 2024-13’. 2.
- Op 7 december 2024 heeft [verzoekster] aan de ouders van de kinderen van de school laten weten dat zij geen lessen meer zou geven. Op 8 december 2024 heeft zij afscheid van de kinderen genomen. 2.
- Bij mail van 11 december 2024 heeft [verzoekster] aan de Stichting kopieën van de onder 2.3 genoemde overeenkomsten opgevraagd. Op 13 december 2024 heeft de Stichting deze gescande kopieën aan [verzoekster] gemaild. 2.
- Bij email van 13 december 2024 deelt [naam 2] (schoolleider van [schoolnaam] ) het volgende aan [verzoekster] mede: ‘Na een zorgvuldig onderzoek naar uw gedrag en de uitvoering van uw professionele taken, informeren wij u dat het bestuur van de Bulgaarse zondagschool (…) heeft besloten uw arbeidsovereenkomst te beëindigen op grond van ernstige schendingen van de arbeidsdiscipline en de beroepsethiek. (…) Op grond van het bovenvermelde wordt uw arbeidsovereenkomst (…) per 13-12-2024 met onmiddellijke ingang opgezegd. (…)’ 2.
- Bij email van 18 december 2024 heeft de Stichting aan [verzoekster] meegedeeld dat zij is ontslagen op staande voet. [verzoekster] reageert hierop per email van 19 december
- Zij schrijft onder meer het volgende: ‘Ik zal mijn arbeidsrelatie pas als beëindigd beschouwen na ontvangst van een besluit hierover.’ 2.
- Bij “Kennisgeving” d.d. 20 december 2024, wordt [verzoekster] door de Stichting geïnformeerd dat haar vrijwilligerscontract dat afloopt op 31 december 2024, niet verlengd zal worden. 2.
- Op 29 december 2024 heeft [verzoekster] van de Stichting een betaling ontvangen van € 540,00, met als omschrijving: Bezoldiging 9 t/m 12-2024, volgens vrijwilligersovereen-komst 2024-
- 2.
- Het verzoekschrift is op 12 februari 2024 bij de rechtbank ingediend. Voordien is door of namens [verzoekster] over het onderhavige geschil geen contact opgenomen met de Stichting. 3Het verzoek en het verweer 3.
- [verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de gefixeerde schadevergoeding van € 4.898,32 bruto (althans het netto equivalent daarvan), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, de achterstallige salariscomponenten ad € 1.700,90 bruto (althans het netto equivalent daarvan), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, tot verstrekking binnen 14 dagen na betekening van de beschikking van een deugdelijke bruto/netto loonspecificatie van de maanden september tot en met 12 december 2024, alsmede de jaaropgave 2024, op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat de Stichting hiermee in gebreken blijft, gemaximeerd tot € 2.500,00, te voldoen aan [verzoekster] een bedrag van € 2.000,00 netto ter zake van immateriële schadevergoeding, te voldoen aan [verzoekster] de transitievergoeding van € 76,50 bruto (althans het netto equivalent daarvan), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, met veroordeling van de Stichting in de kosten van onderhavige procedure. 3.
- [verzoekster] heeft aan haar verzoek – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond die door de Stichting niet is nagekomen. Er is niet aan [verzoekster] uitbetaald wat haar toekwam op grond van de arbeidsovereenkomst. Verder is [verzoekster] op onterechte gronden ontslagen. Er is geen sprake van een dringende reden. [verzoekster] berust in de opzegging, maar maakt, naast het achterstallige salaris, aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een immateriële schadevergoeding. 3.
- De Stichting heeft verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst maar een vrijwilligersovereenkomst tot stand is gekomen. De Stichting werkt alleen maar met vrijwilligers. Daarnaast heeft [verzoekster] zelf de overeenkomst abrupt beëindigd. De procedure is bovendien rauwelijks aanhangig gemaakt. De verzoeken moeten daarom worden afgewezen. 4De beoordeling 4.
- Kern van dit geschil is de vraag of tussen partijen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, zoals [verzoekster] betoogd heeft. De Stichting stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar van een vrijwilligersovereenkomst. 4.
- Uit de toelichting op artikel 7:610 BW volgt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst als voldaan is aan de volgende, cumulatieve criteria: persoonlijke arbeid, loon en een gezagsverhouding. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor een arbeidsovereenkomst moet acht geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderlinge verband worden bezien (Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019). 4.
- Op [verzoekster] rust de bewijslast van haar stelling dat zij een arbeidsovereenkomst met de Stichting heeft gesloten. De kantonrechter is van oordeel dat zij er niet in is geslaagd aan te tonen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaan heeft. Daartoe is het volgende overwogen. 4.
- Naar de kantonrechter begrijpt stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat uit de terminologie in de overeenkomsten blijkt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. De Stichting heeft daartegenover aangevoerd dat partijen eind augustus 2024 met elkaar hebben gesproken waarbij [verzoekster] heeft aangegeven dat zij graag bij de Stichting wilde werken en de Stichting [verzoekster] heeft geïnformeerd over het feit dat zij uitsluitend met vrijwilligers werkt. Toen in september 2024 een plaats vrij kwam, zijn partijen een samenwerking op basis van vrijwilligheid aangegaan, waarbij is afgesproken dat voor de vrijwilligersvergoeding zoveel mogelijk zou worden aangesloten bij de door de Belastingdienst vrijgestelde vergoeding, aldus steeds de Stichting. 4.
- [verzoekster] heeft deze lezing van de gang van zaken onvoldoende gemotiveerd weersproken. Volgens [verzoekster] heeft zij de overeenkomsten op 13 oktober 2024 ondertekend en heeft zij toen geen kopie meegekregen. Het komt de kantonrechter echter vreemd voor dat [verzoekster] , zoals zij kennelijk wil betogen, een arbeidsovereenkomst met de Stichting is aangegaan en op 15 september 2024 is begonnen met lesgeven, zonder dat voordien tussen partijen duidelijke afspraken over de beweerdelijke arbeidsovereenkomst waren gemaakt, althans op schrift waren gesteld. Ook zijn haar nooit salarisstroken verstrekt, en daar heeft [verzoekster] voorafgaand aan deze procedure ook nooit om gevraagd. Verder geeft het te denken dat [verzoekster] pas toen er in december 2024 een conflict was ontstaan, kopieën van de overeenkomsten wenste te ontvangen, waarbij zij overigens kenbaar maakte ervan op de hoogte te zijn dat deze overeenkomsten werden gebruikt ter ‘verantwoording van financiële middelen die aan organisaties zijn verstrekt’ (mail van [verzoekster] aan de Stichting van 11 december 2024, productie 17B bij het verzoekschrift). Dat de door [verzoekster] getekende overeenkomsten slechts waren bedoeld als verantwoording bij de aanvraag van subsidie bij het Ministerie, blijkt uit artikel 10 van deze overeenkomsten (r.o. 2.3) en uit de overgelegde, door de docenten van “ [schoolnaam] ” ondertekende verklaring (productie 10 bij het verweerschrift). 4.
- De kantonrechter houdt het er, gezien deze omstandigheden in onderling verband bezien, voor dat de stellingen van de Stichting juist zijn, namelijk dat [verzoekster] ermee bekend was dat zij als vrijwilliger aan de slag zou gaan. Dit is ook in lijn met de betalingen die op 27 oktober en 29 december 2024 aan [verzoekster] zijn gedaan (r.o. 2.5 en 2.11). Deze betalingen sluiten aan bij hetgeen volgens de Stichting met [verzoekster] is afgesproken over de fiscaal vrijgestelde vergoeding (jaarlijks € 2.100,00). Bij die betalingen is bovendien verwezen naar de vrijwilligersovereenkomst 2024-
- Het totaal van de betalingen (€ 1.800,00) valt beneden de jaarlijkse inkomensgrens van de fiscale vrijwilligersregeling van de Belastingdienst, wat duidelijk wijst op een vrijwilligersvergoeding en niet op loon als vergoeding voor verrichte arbeid. 4.
- Verder is niet gebleken van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7:610 BW. Dat de Stichting bepaalt welke werkzaamheden haar vrijwilligers moeten uitvoeren en daarover instructies kan geven maakt niet dat er sprake is van een gezagsverhouding in vorenbedoelde zin. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat de overeenkomst tussen partijen niet is te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst, maar als een vrijwilligersovereenkomst. Er is niet voldaan aan de criteria van artikel 7:610 BW. Dat betekent dat de voor werknemers geldende bepalingen van het arbeidsrecht en de daarbij behorende rechtsbescherming niet gelden tussen partijen. [verzoekster] heeft alle vergoedingen, waar zij in het kader van de vrijwilligersovereenkomst recht op had, ontvangen. Voor toewijzing van haar verzoeken, die alle gebaseerd zijn op de stelling dat sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, is dus geen plaats. Het verzoek tot veroordeling van de Stichting om aan [verzoekster] een immateriële schadevergoeding te betalen (die in het verzoekschrift ook billijke vergoeding wordt genoemd) zal eveneens worden afgewezen, nu dit verzoek in het geheel niet is onderbouwd. De aanvullende producties van de Stichting en de reactie daarop van [verzoekster] geven geen aanleiding voor een ander oordeel. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. Deze kosten worden begroot op € 814,00 aan salaris voor de gemachtigde van de Stichting. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- wijst de verzoeken van [verzoekster] af; 5.
- veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Stichting vastgesteld op € 814,00 aan salaris voor de gemachtigde; 5.
- verklaart deze beslissing ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Uitgesproken door kantonrechter mr. A.J. Japenga ter openbare terechtzitting van 16 mei 2025, in het bijzijn van de griffier.