Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-2320 Zaaknummer: C/09/682575 Datum beschikking: 20 mei 2025 Gezagsuitoefening Beschikking op het op 27 maart 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J. Rijsdam te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. N. Schreurs te Alphen aan den Rijn. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen; het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek; het F9-bericht van 20 april 2025, met bijlagen, van de moeder. Op 22 april 2025 is de zaak mondeling behandeld op een zitting van deze rechtbank. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2016 tot [dag 2]
- - Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] . - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. - Bij echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 23 december 2024 is – voor zover hier van belang – bepaald: dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben; dat de kinderen bij de vader zullen zijn:- iedere week van zondag 10.00 uur tot woensdagochtend, waarbij de moeder de kinderen op zondag naar de vader brengt en de vader de kinderen op woensdag weer naar de moeder terugbrengt;- alsmede de volgende vakantieregeling: o de herfstvakantie; o (vanaf 2025) de eerste week van de kerstvakantie in de even jaren, en de tweede week in de oneven jaren; o voor de zomervakantie in 2025 de eerste week en de derde en de vierde week; o voor de navolgende zomervakanties de eerst drie weken in de even jaren, en de laatste drie weken in de oneven jaren; o alsmede de feestdagen: in onderling overleg bij helfte. Verzoek en verweer De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht aan haar vervangende toestemming te verlenen: tot verhuizing met en inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar/op het adres [adres] te Woerden; tot inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een basisschool in Woerden met ingang van het komende nieuwe schooljaar; een en ander kosten rechtens. De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Beoordeling Verhuizing en inschrijving school Relevante feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken het volgende vast. Hoewel partijen inmiddels gescheiden zijn, wonen zij nog steeds op basis van ‘birdnesting’ om en om met de kinderen in de (voormalige) echtelijke woning in Alphen aan den Rijn. Partijen zijn het erover eens dat deze regeling op korte termijn moet stoppen, omdat het te onrustig is voor zowel de kinderen als henzelf. De vader is bezig om te regelen dat hij de woning kan overnemen. De moeder is hiertoe financieel niet in staat. Dit betekent dat de moeder andere woonruimte moet vinden. Zij heeft een sociale huurwoning in Woerden gevonden. Op 13 februari 2025 heeft de moeder het huurcontract voor deze woning getekend. De vader heeft een leidinggevende functie als hovenier in Amsterdam. Hij werkt vijf dagen per week. De moeder werkt in het onderwijs, momenteel op een school in Alphen aan den Rijn. Zij werkt drie dagen per week. Standpunt moeder De moeder wil graag samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de woning in Woerden gaan wonen. Zij voert daartoe aan dat zij niet de financiële middelen heeft om een woning te kopen en is aangewezen op een sociale huurwoning. Het is haar niet gelukt om een woning te krijgen in Alphen aan den Rijn, omdat zij niet lang genoeg bij deze gemeente staat ingeschreven. Het is haar met veel geluk wel gelukt om in Woerden een sociale huurwoning te verkrijgen. Er is sinds de procedure tot echtscheiding een onzekere situatie ontstaan met betrekking tot de woonplaats van de kinderen en partijen. Aan deze onzekere situatie kan nu een einde worden gemaakt. De reisafstand tussen Alphen en Woerden is zodanig dat die voor beide partijen in het kader van de zorgregeling te berijden is. De moeder wil graag dat de kinderen dan ook in Woerden naar school gaan. Zij voert daartoe aan dat zij actiever betrokken is bij de activiteiten op en rond school. Als de kinderen in Alphen op school zouden blijven, wordt dit voor haar veel lastiger. Ook brengt het meer rust als de kinderen in Woerden naar school gaan. Standpunt vader De vader stemt niet in met een verhuizing naar Woerden. Volgens de vader is het in het belang van de kinderen dat zij – gelet op alles wat ze rond de scheiding van de ouders meemaken en hebben meegemaakt – hun huidige stabiele basis in Alphen aan den Rijn behouden. Daar ligt hun vertrouwde leefomgeving, met de school, bekende leerkrachten en vriendjes en vriendinnetjes en familie in de buurt. Het liefst zou de vader zien dat de moeder in Alphen aan den Rijn blijft wonen. Als zij toch naar Woerden gaat, dan wil hij dat de kinderen in Alpen aan den Rijn op school blijven. Hij is er pertinent op tegen dat de kinderen in Woerden naar school gaan. De vader is bang dat als de kinderen in Woerden naar school zouden gaan, dit een verwijdering zal betekenen tussen hem en de kinderen. Het is voor hem van cruciaal belang dat uitvoering kan blijven worden gegeven aan de zorgregeling en de invulling van zijn vaderrol, zoals vastgelegd door de rechtbank in december
- Een school in Woerden levert voor hem te veel extra reistijd op. Dit maakt het voor hem onmogelijk om een goede uitvoering te geven aan de zorgregeling. Bovendien kunnen de grootouders vaderszijde dan niet meer dezelfde rol in het leven van de kinderen spelen als nu het geval is. Ook zou dit de vader belemmeren om betrokken te kunnen zijn bij de school van de kinderen. Verhuizing Omdat de vader geen toestemming verleent voor de verhuizing van de moeder mét de kinderen naar Woerden, moet de rechtbank, gelet op artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW), een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie (onder meer HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901) volgt dat bij de beslissing over vervangende toestemming voor verhuizing van een kind alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Bij de te maken belangenafweging gaat het enerzijds om het belang van de moeder om zelf haar leven in te vullen en in Woerden, samen met de kinderen, een nieuw leven op te bouwen en anderzijds om het belang van de vader om de huidige zorgregeling op vergelijkbare wijze vorm te kunnen blijven geven en daarbij onbelemmerd contact met de kinderen te kunnen hebben en hen in hun directe omgeving te zien opgroeien. Ook weegt het belang van de kinderen om met beide ouders een regelmatig en goed contact te kunnen hebben zwaar mee, vooral ook gelet op hun nog jonge leeftijd. Tussen partijen is niet in geschil dat er een oplossing moet komen voor het woningprobleem. Dit betekent dat de moeder een andere woning moet zoeken. De moeder heeft een huurwoning in Woerden gevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkrijgen van een woning in Alphen aan den Rijn op korte termijn niet haalbaar is. In de huidige krappe woningmarkt mag moeder blij zijn dat zij überhaupt op korte termijn een woning heeft gevonden. De afstand tussen Alphen aan den Rijn en Woerden is niet zo groot dat de relatie tussen de vader en de kinderen hierdoor in het gedrang zou komen. De kinderen kunnen met beide ouders een regelmatig en goed contact hebben. Gebleken is ook dat de vader niet zozeer tegen de verhuizing van de moeder met de kinderen naar Woerden is, hij heeft vooral bezwaar tegen de bijkomende wens van de moeder om de kinderen dan ook in Woerden naar school te willen laten gaan. Dit brengt de rechter tot het oordeel dat het verzoek van de moeder om met de kinderen naar Woerden te verhuizen voor toewijzing in aanmerking komt. Vervolgens is de vraag wat dit betekent voor het verzoek van de moeder om de kinderen ook in te schrijven op een school in Woerden. Inschrijving school Bij de inschrijving op de school ziet de rechtbank zich voor een lastig dilemma gesteld. Vaststaat dat de kinderen al veel hebben meegemaakt en nu gebaat zijn bij rust en stabiliteit. Met de verhuizing van de moeder is er in ieder geval geen onzekerheid meer over de woonsituatie, dat zal rust brengen. De vraag is welke school de meeste rust geeft en het meest in het belang van de kinderen is. De rechtbank overweegt dat het op dit moment voor de kinderen de minste verandering oplevert als zij op school zouden blijven in Alphen aan den Rijn. Gelet op alles wat zij al hebben meegemaakt, heeft zo min mogelijk verandering op dit moment de voorkeur. De vraag is echter of dit ook op de langere termijn de meeste rust geeft voor de kinderen. De vader werkt fulltime en heeft een leidinggevende functie in Amsterdam. Hij moet ‘s ochtends vroeg weg en is pas laat weer thuis. De moeder werkt parttime (3 dagen) in het onderwijs, waardoor zij meer tijd beschikbaar heeft voor de kinderen. Op de dagen dat de kinderen bij de vader zijn, zijn zij lang van huis weg. Ze moeten vroeg op voor de BSO, gaan na school naar de VSO en worden daar door de vader weer opgehaald. Op de dagen dat ze bij de moeder zijn, is dit anders. De moeder brengt en haalt de kinderen naar en uit school. Als de kinderen in Alphen op school zouden blijven, betekent dit dat zij ook op de dagen dat zij bij de moeder zijn langer moeten reizen naar school. Daarnaast zijn dat ook de dagen dat zij af kunnen spreken met vriendjes omdat zij niet naar de VSO gaan. Dit is lastig als zij in Woerden wonen en in Alphen op school zitten. Dit betekent dat er een risico is dat de kinderen weinig met vriendjes of vriendinnetjes af kunnen spreken. Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat een school in Woerden meer in het belang van de kinderen is. De contacten die de vader met de school heeft, hoeven niet te veranderen als de kinderen in Woerden naar school zouden gaan want de vader brengt en haalt niet naar school, maar naar de opvang. Zijn contacten met school zijn dat hij naar oudergesprekken, 10-minutengesprekken, ouderavonden, kerstvieringen en informatiebijeenkomsten gaat. Dat kan hij ook blijven doen als de kinderen in Woerden op school zitten. De ouders van de vader passen op maandag op. Het feit dat de afstand van hun woonplaats naar Woerden langer is, betekent niet dat zij niet meer op maandag voor de kinderen kunnen zorgen. Dat dit mogelijk in de toekomst anders is gelet op de leeftijd van de grootouders, maakt dit niet anders. De rechtbank weegt echter ook mee dat de vader sinds december 2024 een zorgregeling met de kinderen heeft, waarbij de kinderen drie dagen per week bij hem zijn van zondag 10.00 uur tot woensdagochtend. De vader heeft aangevoerd dat wanneer de kinderen in Woerden naar school zouden gaan de regeling op deze manier niet meer kan worden uitgevoerd, omdat de reisafstand daarvoor te groot is. De extra reistijd van Alphen naar Woerden maakt volgens hem een goede uitvoering van de zorgregeling onmogelijk. De kinderen moeten dan te vroeg opstaan en zijn te laat weer thuis. De moeder wil hem hierin wel tegemoet komen, maar dat betekent een aanpassing van de zorgregeling en dat is voor de vader op dit moment onbespreekbaar. In dit kader overweegt de rechtbank het volgende. Partijen hebben turbulente jaren achter de rug waarin zij veel gestreden hebben over de kinderen. Pas sinds december 2024 geldt een zorgregeling waarin de kinderen drie dagen per week bij de vader zijn. Dit is dus nog pril en de rechtbank begrijpt dat het voor de vader nu nog onbespreekbaar is om deze regeling te wijzigen. Daar staat tegenover dat deze regeling niet goed past bij de situatie waarin de ene ouder in Alphen aan den Rijn woont en de andere ouder in Woerden. Zeker niet in combinatie met het werk van de vader in Amsterdam. Een andere regeling – waarbij de vader de kinderen niet minder ziet maar anders verdeeld in tijd – zou meer voor de hand liggen. Omdat hiervoor geen verzoeken zijn gedaan, kan de rechtbank de zorgregeling niet aanpassen. De rechtbank vindt het echter niet in het belang van de kinderen om dit in de weg te laten staan aan wat het meest in hun belang is. En de rechtbank vindt het het meest in het belang van de kinderen als zij na de zomervakantie in Woerden naar school kunnen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om de kinderen na de zomervakantie 2025 in te schrijven op een school in Woerden toewijzen. Hoofdverblijfplaats Omdat de rechtbank het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Woerden toewijst, zal het zelfstandige verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, worden afgewezen. Proceskosten Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Beslissing De rechtbank: verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, tot: inschrijving van de minderjarigen:- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ;op het adres [adres] te Woerden; inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een basisschool in Woerden met ingang van het aankomende nieuwe schooljaar (2025/2026); bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2025.