← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:15910

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummers: FA RK 25-1619 (bodem) en FA RK 25-1620 (voorlopige voorziening) Zaaknummers: C/09/681255 (bodem) en C/09/681257 (voorlopige voorziening) Datum beschikking: 6 juni 2025 Alimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Beschikking op het op 21 februari 2025 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J. de Koning te Lisse. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; het F9-bericht van 2 mei 2025, met bijlagen, van de zijde van de man; het F9-bericht van 6 mei 2025, met bijlage, van de zijde van de man; het F9-bericht van 6 mei van de zijde van de vrouw. Op 9 mei 2025 is de zaak mondeling behandeld op een zitting van deze rechtbank. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Feiten Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1983 tot [datum 2]

  1. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het aangehechte (door partijen overeengekomen) convenant deelt uitmaakt van de beschikking.In dit convenant staat in artikel 1.1.
  2. ten aanzien van partneralimentatie het volgende: ‘Met ingang van het moment dat de vrouw of de man een andere woning betrekt zal de man bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1370 Bruto per maand, te voldoen op de eerste van de maand door bijschrijving op een door de vrouw aan te wijzen rekening (…)’. Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie sinds1 januari 2025 € 1.845,
  3. Verzoek en verweer Bodemprocedure (C/09/681255) Het verzoek van de man luidt thans:met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de partneralimentatie op nihil vast te stellen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren; een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv (C/09/681257) Het verzoek van de man luidt: met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de partneralimentatie voorlopig op nihil vast te stellen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Toelating aanvullende stukken van de man Namens de vrouw is bezwaar gemaakt tegen de door de man op respectievelijk 2 en 6 mei 2025 ingediende aanvullende verzoeken en producties 8 tot en met 13, omdat het niet binnen de voorgeschreven termijn van uiterlijk tien dagen vóór de zitting is ingediend, wat strijdig is met de goede procesorde. Bovendien waren de betreffende producties al voorhanden toen de man het verzoekschrift, zodat hij ze – gelijktijdig met het verzoekschrift – had moeten indienen. De rechtbank zal de door de man ingediende producties 8 tot en met 13 als processtuk toelaten, omdat ze niet omvangrijk, niet ingewikkeld, en noodzakelijk voor een goede beoordeling zijn. De vrouw heeft zich voldoende kunnen verweren, dus de rechtbank is van oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden. Bodemprocedure C/09/681255 Ontvankelijkheid Tussen partijen is in geschil of sprake is van een wijzigingsgrond. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij de afgelopen jaren vanwege zijn leeftijd en verslechterde gezondheid aanzienlijk minder overwerk verricht ten opzichte van 2015, waardoor zijn inkomen is gedaald. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De beoordeling of de partneralimentatie van meet af aan onjuist is vastgesteld in mediation, laat de rechtbank om die reden verder buiten beschouwing. De rechtbank zal de man ontvangen in zijn verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst. Inhoudelijke beoordeling Op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat de vraag of de vrouw nog altijd behoefte heeft aan partneralimentatie tussen partijen niet (meer) in geschil is. Bij gebrek aan de oorspronkelijke berekeningen uit 2015 van de mediator (op basis waarvan de hoogte van de partneralimentatie destijds is overeengekomen) weet de rechtbank niet wat de geïndexeerde behoefte van de vrouw nu is. Het staat echter vast dat de draagkracht van de man, vanwege zijn inkomensachteruitgang, de beperkende factor is. Daarom zal de rechtbank die hierna berekenen. De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van een inkomen van € 2.802,- (salaris € 3.113,- minus € 311,- ‘korting seniorenreg.’) bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de door de man overgelegde salarisspecificaties maart 2025 en april 2025 (productie 12). Daarnaast houdt de rechtbank rekening met inkomsten uit vermogen. De man heeft op de zitting verklaard dat hij uit de verkoop van een woning € 75.000,- vermogen heeft overgehouden. Dit geeft een forfaitair rendement van € 1.080,- per jaar, waarover € 90,- belasting verschuldigd is. De rechtbank houdt daarom rekening met € 990,- netto inkomsten uit vermogen. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening. Verder houdt de rechtbank rekening met: - de pensioenpremie van € 176,- per maand; Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting; Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.585,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening. De man heeft op de zitting verklaard dat de maandelijkse huur van zijn (sociale)huurwoning € 642,32 is en dat zijn huidige partner daarvan de helft voor haar rekening neemt. De netto woonlast van de man is dus € 321,16 per maand. Omdat dat bedrag aanzienlijk lager is dan het woonbudget (€ 776,-) neemt de rechtbank in plaats van het woonbudget de werkelijke woonlast van de man in de berekening mee. Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%. Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 954,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 572,- netto per maand. Dat is gebruteerd € 891,- per maand. Gezien het voorgaande en gelet op de fiscale gevolgen is de rechtbank van oordeel dat een bedrag aan partneralimentatie voor de man van € 891,- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. De partneralimentatie die de man aan de vrouw – gedurende de resterende looptijd – verschuldigd is, zal daarom worden verminderd naar € 891,-. Door de man is verzocht deze wijziging te laten ingaan vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift (21 februari 2025). Omdat de vrouw daartegen geen concreet verweer voert, zal de rechtbank uitgaan van de door de man verzochte ingangsdatum. Volgens vaste rechtspraak moet de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds beoordelen in hoeverre redelijkerwijs een terugbetalingsverplichting kan worden opgelegd. Dit moet de rechter doen aan de hand van dat wat tijdens de procedure is gebleken. Gelet op het consumptief karakter van alimentatie en de omstandigheid dat de vrouw –vanwege haar gezondheidssituatie – door de verlaging van de partneralimentatie een Participatiewet uitkering zal moeten gaan aanvragen, acht de rechtbank een terugbetalingsverplichting voor de vrouw van hetgeen zij te veel aan partneralimentatie heeft ontvangen, onredelijk. De rechtbank zal deze verplichting dan ook niet opleggen aan de vrouw. Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv (C/09/681257) Omdat in deze beschikking een beslissing wordt genomen in de bodemprocedure, zal de rechtbank het verzoek ex artikel 223 Rv wegens gebrek aan belang afwijzen. Beslissing De rechtbank – met wijziging in zoverre van de onderling getroffen regeling van 2 juni 2015 – : bepaalt de door de man met ingang van 21 februari 2025 te betalen partneralimentatie op € 891,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, bijgestaan door mr. M.G.J. Konings als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 juni 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.