RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.38283 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. G.T. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 12 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1979 en de Syrische nationaliteit te hebben. Maatregel van bewaring
- In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser: - 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eiser: - 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
- Eiser betwist de zware grond 3b. Hij heeft zich niet onttrokken aan het toezicht. Hij is enkel naar Duitsland gegaan om afscheid te nemen van zijn familie.
- Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze zware gronden zich feitelijk voordoen. Nu eiser bij zijn binnenkomst in Nederland niet beschikte over een reis- of identiteitsdocument is de zware grond 3a feitelijk juist. Verder is tijdens het vertrekgesprek op 11 augustus 2025 met eiser besproken dat hij zich beschikbaar dient te houden en wijzigingen direct dient te melden. Vervolgens is hij, zonder dit te melden bij de autoriteiten, zelfstandig naar Duitsland vertrokken. De enkele stelling dat hij enkel afscheid wilde nemen van familie is daartoe niet relevant. Hij heeft zich daarmee dan ook onttrokken aan het toezicht op vreemdelingen, wat maakt dat de zware grond 3b ook feitelijk juist is. Deze zware gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een significant risico dat eiser zal onderduiken en kunnen de maatregel van bewaring dus zelfstandig dragen. Lichter middel
- Eiser meent dat verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel. Hij heeft aangegeven dat hij vanuit Gouda wilde meewerken aan een overdracht naar Kroatië, dus had een meldplicht kunnen worden opgelegd.
- Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een significant risico op onderduiken gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Van belang is daarbij dat eiser zich dus al eerder heeft onttrokken aan het toezicht door naar Duitsland te vertrekken. Daarom is niet aannemelijk dat een lichter middel zal leiden tot het beoogde resultaat, een overdracht aan Kroatië. Ambtshalve toets
- Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet
- Verordening (EU) nr. 604/
- Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.