← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:16060

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 23/8124 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum 1] 1981, van Syrische nationaliteit, eiseres, [eiser 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, van Syrische nationaliteit, eiser 1, [eiser 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2010, van Syrische nationaliteit, eiser 2, tezamen: eisers (gemachtigde: mr. W.J. Rohlof), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. I. Vugts). Inleiding Wat is er in deze zaak gebeurd?

  1. Eisers hebben op 7 oktober 2021 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd met het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij referent [referent] (hierna: referent)’. Referent, geboren op [geboortedatum 4] 2001, heeft een asielvergunning. Hij wenst overkomst van zijn moeder (eiseres) en zijn twee broers (eiser 1 en 2).
  2. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 3 oktober 2022 afgewezen. Eisers hebben op 12 oktober 2022 bezwaar gemaakt, aangevuld op 3 januari
  3. Eisers hebben, na de minister op 24 mei 2023 in gebreke te hebben gesteld, op 21 juli 2023 een beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Met het bestreden besluit van 15 november 2023 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft eisers een dwangsom van € 1.442,- toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Eisers hebben tegen de gehandhaafde afwijzing beroepsgronden ingediend en de minister heeft een verweerschrift ingediend.
  4. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, heeft in de uitspraak van 21 november 2023 het beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en de minister opdracht gegeven alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Eisers hebben hiertegen verzet ingesteld.
  5. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht heeft in de uitspraak van 25 januari 2024 het verzet gegrond verklaard. De uitspraak van deze rechtbank van 21 november 2023 is hiermee vervallen en de behandeling van het beroep, mede gericht tegen het bestreden besluit van 15 november 2023, is voortgezet.
  6. De behandeling van het beroep is op 20 maart 2024 aangehouden in afwachting van uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) over het jongvolwassenebeleid, de beoordeling van ‘more than normal emotional ties’ en de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM.
  7. Nadat de ABRvS op 29 mei 2024 uitspraak heeft gedaan is de behandeling van het beroep van eisers voortgezet.
  8. De rechtbank heeft beroep op 22 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, dhr. Alfarat als tolk en de gemachtigde van de minister.
  9. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen vervolgens bericht binnen tien weken uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank
  10. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eisers aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
  11. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Ten aanzien van het niet tijdig beslissen
  12. Eisers zijn in beroep gegaan omdat de minister niet tijdig op hun bezwaar heeft gereageerd. Hangende de beroepsprocedure heeft de minister alsnog een beslissing genomen op het bezwaar van eisers. De minister heeft eisers daarbij de maximale dwangsom van € 1.442,- toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Gesteld noch gebleken is dat eisers nog belang hebben bij een beoordeling van het oorspronkelijke beroep tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaar. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
  13. Omdat vaststaat dat niet tijdig is beslist op het bezwaar, hebben eisers recht op een proceskostenvergoeding. De hoogte daarvan wordt vastgesteld aan het einde van deze uitspraak. Ten aanzien van het afwijzen van de aanvraag
  14. Aan de afwijzing heeft de minister het volgende ten grondslag gelegd. De minister heeft referent als jongvolwassene aangemerkt. De minister heeft ook familie- en gezinsleven aangenomen tussen referent en eiseres, tussen referent en eisers 1 en 2 en tussen eiseres en eisers 1 en
  15. De minister heeft vervolgens in het kader van artikel 8 van het EVRM de belangen van eisers en referent afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse overheid. Volgens de minister wegen – kort gezegd – de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder dan de persoonlijke belangen van eisers en referent. Om die reden verzet artikel 8 van het EVRM zich niet tegen afwijzing van de aanvraag.
  16. Eisers hebben in beroep gesteld dat de minister ten onrechte heeft volstaan met één belangenafweging, terwijl het familie- en gezinsleven tussen referent en eiseres en tussen referent en eisers 1 en 2 op andere gronden is aangenomen. Dit had volgens eisers tot uitdrukking moeten komen in twee aparte belangenafwegingen.
  17. Deze beroepsgrond slaagt niet. Er is geen rechtsregel die de minister voorschrijft om aparte belangenafwegingen te maken als de aanwezigheid van familie- en gezinsleven tussen de verschillende familieleden op andere gronden berust. De minister heeft de belangen van eisers enerzijds en de Nederlandse overheid anderzijds integraal in één belangenafweging mogen wegen.
  18. Eisers hebben ook aangevoerd dat in de belangenafweging hun belangen onvoldoende kenbaar en niet toereikend zijn afgewogen. De minister moet zwaar in het voordeel van eisers meewegen dat familie- en gezinsleven bestaat op basis van de jongvolwassenheid van referent en de hechte persoonlijke banden tussen referent en eisers 1 en
  19. Ook moet de minister de intensiteit van het familie- en gezinsleven in het voordeel van eisers meewegen. Dit heeft de minister niet (kenbaar) gedaan. De minister heeft de stappen die referent naar zelfstandigheid heeft gezet ten onrechte in zijn nadeel meegewogen. Referent heeft deze stappen nooit willen maken, maar hij heeft zich daartoe genoodzaakt gevoeld door het overlijden van zijn vader. Zijn vertrek uit Syrië was niet vrijwillig, maar noodzakelijk om zijn familie te onderhouden. Ook heeft de minister niet duidelijk gemotiveerd in hoeverre is meegewogen dat het een eerste toelating betreft voor eisers. Verder heeft de minister onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de aanwezigheid van de objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Syrië uit te oefenen is meegewogen. Het voortzetten van het gezinsleven op afstand mag de minister hierbij in ieder geval niet betrekken. Ook kunnen de banden van eisers met Syrië vanwege de objectieve belemmering om daar het familie- en gezinsleven uit te oefenen niet worden meegewogen. Daartegenover moet de binding met Nederland in het voordeel, althans niet in het nadeel, van eisers worden meegewogen. Verder moet de minister rekening houden met de belangen van eiser 1 en 2 als minderjarige kinderen. Zij lopen het risico opgeroepen te worden voor de dienstplicht. Om dat risico te ontlopen, blijven zij binnen, gaan ze niet naar school en spelen ze niet buiten. Het is in hun belang om naar Nederland te komen. Deze asiel gerelateerde aspecten kunnen en moeten worden meegewogen. Verder heeft de minister ontoereikend gemotiveerd in hoeverre is meegewogen dat eisers geen gevaar vormen voor de openbare orde. Ook is eisers ten onrechte tegengeworpen dat de economische belangen van de Nederlandse overheid zwaar wegen. Referent heeft zich ingespannen om Nederlands te leren en om te werken, om uiteindelijk zijn familie te kunnen onderhouden. Gelet op zijn jongvolwassenheid kan niet meer van hem verwacht worden. Het ontbreken van financiële draagkracht en huisvesting om voor zijn familieleden te zorgen kan hem dan niet worden tegengeworpen. Het zou juist in zijn voordeel moeten meewegen. Daarbij komt dat met de hereniging van referent met zijn moeder haar medische klachten zullen afnemen. 18.
  20. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle relevante belangen kenbaar betrokken in de belangenafweging. Verder is de rechtbank, terughoudend toetsend, van oordeel dat de minister de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan de persoonlijke belangen van eisers en referent. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 18.
  21. De minister heeft mogen uitgaan van een eerste toelating van eisers in Nederland. Uitgaande van een restrictief toelatingsbeleid weegt dit in hun nadeel. Eveneens in hun nadeel heeft de minister mogen meewegen dat voor meerderjarige kinderen en hun ouders dan wel broers geen toelatingsbeleid is gemaakt. Referent was twintig jaar oud bij binnenkomst in Nederland en vanwege die leeftijd mag van hem worden verwacht dat hijzelf, met ondersteuning van de Nederlandse overheid, een leven opbouwt. Bij deze stand van zaken is alleen in uitzonderlijke gevallen sprake van een positieve verplichting om eisers met referent te herenigen. De minister heeft mogen concluderen dat hier geen sprake van is. 18.
  22. De minister heeft in de afweging op dit punt in het voordeel van eisers betrokken dat tussen referent en eisers sprake is van familie- en gezinsleven omdat referent als jongvolwassene is aangemerkt en hij hechte banden met zijn broers heeft. Ook heeft de minister in het voordeel meegewogen dat er een hechte mate van gezinsleven bestond tussen referent en eisers voordat referent uit Syrië vertrok. Referent was kostwinnaar sinds het overlijden van zijn vader. Hij heeft de vaderrol overgenomen en gezorgd dat zijn broers niets te kort kwamen. 18.
  23. De minister heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat referent ten tijde van de besluitvorming drie jaar gescheiden is van zijn familieleden. In die tijd heeft referent stappen gezet naar zelfstandigheid. Referent is niet afhankelijk van zijn moeder en broers, maar hij wil juist voor zijn moeder en broers zorgen en hen financieel ondersteunen. Dat doet hij nu via telefonisch contact en financiële ondersteuning op afstand. Zijn feitelijke rol in het gezin is daarmee afgenomen. Het is niet gebleken dat eisers 1 en 2 daardoor belemmerd zijn in hun ontwikkeling. Eiseres is als biologische moeder van eisers 1 en 2 in de eerste plaats verantwoordelijk voor de zorg voor en opvoeding van eisers 1 en
  24. De belangen van eisers 1 en 2 als minderjarige kinderen zijn hiermee kenbaar betrokken, maar leiden niet tot een andere afweging. Het is ook niet onderbouwd of gebleken dat referent en eiseres en/of eisers 1 en 2 medische klachten hebben als gevolg van de scheiding en dat deze klachten verminderen als zij herenigd worden. Het telefonisch contact en de financiële steun van referent kan vanuit Nederland worden voortgezet. 18.
  25. De minister heeft daarbij de dienstplichtige leeftijd van eiser 1 als zijnde asiel gerelateerd buiten beschouwing mogen laten. De vergelijking met de door eisers aangehaalde zaak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 24 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4118 gaat niet op, omdat in die zaak sprake was van vrees voor vervolging bij terugkeer nadat eisers hadden meegewerkt aan een DNA-onderzoek in een ander land. Zulke bijzondere omstandigheden spelen niet bij eisers. 18.
  26. De minister heeft ook in het voordeel van eisers meegewogen dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Syrië uit te oefenen. Dit heeft de minister echter niet doorslaggevend geacht, omdat het gezinsleven inmiddels minder intensief is en op afstand kan worden voortgezet. In het nadeel heeft de minister gewogen dat eisers een sterkere band hebben met Syrië dan met Nederland. Eisers zijn in Syrië geboren en opgegroeid. Eisers zijn nog nooit in Nederland geweest, zij hebben alleen via referent en het internationale strafhof in Den Haag over Nederland gehoord. De minister heeft dit mogen betrekken in de afweging. 18.
  27. De minister heeft het economische belang van de Nederlandse overheid in het nadeel van eisers mogen meewegen. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat referent niet in staat is om de kosten van levensonderhoud van eisers te dragen en hun te voorzien van huisvesting. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 17 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2506 gaat niet op, omdat in die zaak sprake was van een moeder die zowel in het land van herkomst werkzaam was als in Nederland zou kunnen werken. Niet gebleken is dat eiseres kan werken, volgens referent is zij daartoe ook niet in staat. Evenmin is gebleken dat referent concreet uitzicht heeft op een baan met voldoende inkomen om eisers te onderhouden. Referent studeert fulltime. De stelling van eisers dat dit een toekomstbestendige studie is, waarmee referent op termijn voldoende inkomen zal genereren om eisers te kunnen onderhouden, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis die de belangenafweging ten tijde van de besluitvorming niet anders maakt. Dat referent als jongvolwassene feitelijk nu niet tot meer in staat is, maakt de gevolgen van deze situatie niet anders. Als gevolg van de bestaande situatie van referent zullen de kosten voor levensonderhoud en huisvesting van eisers volledig ten laste van de Nederlandse overheid komen. De minister heeft deze omstandigheid zwaar in het nadeel mogen meewegen. 18.
  28. Al met al heeft de minister alle relevante belangen betrokken. De minister heeft het economische belang van Nederland en de stappen naar zelfstandigheid die van referent verwacht mogen worden doorslaggevend mogen achten. Weliswaar is invoelbaar dat referent zijn moeder en broers wil laten overkomen, maar van een noodzakelijke hereniging in de zin van artikel 8 van het EVRM is niet gebleken. Conclusie en gevolgen
  29. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eisers heeft mogen afwijzen. Het bestreden besluit blijft in stand.
  30. Eisers hebben wel recht op vergoeding van de kosten die zij voor het instellen van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaar hebben gemaakt. De rechtbank veroordeelt daarom de minister in de proceskosten van het door eisers ingediende beroep wegens het niet tijdig beslissen (0,5 punt voor het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit met een waarde per punt van € 907,-). Ook moet de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep, gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 15 november 2023, ongegrond; - draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eisers te vergoeden; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,
  31. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 februari
  32. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. ECLI:NL:RVS:2024:
  33. Eisers wijzen op de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, en de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  34. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
  35. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
  36. Zie WI 2020/
  37. Zie de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  38. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4118 en WI 2020/
  39. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2506, de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2022, ve22000548, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:
  40. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13447 en WI 2020/
  41. WI 2020/16, p. 23, paragraaf 7.
  42. Zie de uitspraak van de ABRvS van 19 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2019:2321.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.