← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:16235

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.28440 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. M. Pater), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 juni 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.
  2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank
  3. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 2 juni 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 3 juni 2025 aanvaard.
  5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
  6. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is als volgt. Wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, wordt er in beginsel van uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
  7. De rechtbank stelt vast dat uit de brief van de minister van 29 juli 2025 en de bijlage van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers volgt dat eiser per 24 juli 2025 is overgedragen. Bij schrijven van 28 augustus 2025 heeft de gemachtigde desgevraagd laten weten dat zij sinds de overdracht geen contact meer heeft met eiser. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming of op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het procesbelang ontbreekt daarom.
  8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Zie de uitspraken van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 en van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.