RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/5214 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. C.U. Mons), en het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college (gemachtigde: M. Montaser). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 19 juni 2025 waarbij verzoeker is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 juni
- 1.
- Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat de gemeente op dat moment de betaling van eisers uitkering op grond van de Participatiewet ging hervatten en eiser binnenkort een afspraak bij de gemeente had om in persoon te verschijnen om zich weer te laten inschrijven op zijn adres. Door deze ontwikkeling viel voor verzoeker de spoedeisendheid weg en kon hij de bezwaarprocedure afwachten. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college vindt dat er geen aanleiding is om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Daarbij stelt het college zich op het standpunt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit of onzorgvuldig handelen. 1.
- De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
- Bij aangetekende brief van 14 augustus 2025 heeft de griffier verzoeker medegedeeld dat hij voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening een griffierecht van € 194,- verschuldigd is en is hij erop gewezen dit bedrag binnen twee weken te voldoen. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort. Niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker in verzuim is geweest.
- Het betalen van het verschuldigde griffierecht voor de (ingetrokken) voorlopige voorziening vormt een voorwaarde voor de toegang tot de bestuursrechter. Het verzoek tot toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is nauw verbonden met (het intrekken van) het verzoek om een voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat deze ontvankelijkheidskwestie vooraf aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
- De voorzieningenrechter komt dan ook tot het oordeel dat het verzoek om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure kennelijk niet-ontvankelijk is. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).