RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.10225 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. W.M. Blaauw), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop Bij besluit van 25 februari 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, eerste en tweede, juncto het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Cordes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van 18 maart 2025; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,
- Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Eiser voert aan dat niet alle stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Zo missen de stukken van de asielaanvraag. In de maatregel wordt verwezen naar gronden die hun onderbouwing in het asieldossier vinden. Omdat deze stukken missen kan eiser zich niet verweren tegen de motivering van de opgelegde maatregel, aldus eiser.
- De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 25 februari 2025 een maatregel is opgelegd, waarin is opgenomen waarom eiser in grensdetentie wordt gehouden. De rechtbank stelt ook vast dat zij de maatregel ter zitting moet kunnen controleren. Daarbij moet de gemachtigde van eiser de mogelijkheid krijgen om alle stukken in te zien om zo een verdediging te kunnen voeren. Dit belang acht de rechtbank dusdanig groot dat hierdoor sprake is van een onzorgvuldige procedure. Dit dient voor rekening en risico van verweerder te komen nu verweerder verantwoordelijk is voor de samenstelling van het dossier en daarmee de onderbouwing van de maatregel. Nu de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel niet kan toetsen, houdt de rechtbank het er voor dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de maatregel rechtmatig is opgelegd. Het beroep is dus gegrond.
- De rechtbank komt niet toe aan de overige gronden.
- Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 18 maart
- Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 22 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 22 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.200,-.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2025 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.