← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:17624

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL25.41549 en NL25.41551 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer 1] [eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer 2] hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Met twee besluiten van 28 augustus 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen

  1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
  2. De rechtbank verklaart de beroepen kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het bestreden besluit
  3. Eisers zijn met elkaar getrouwd. Zij hebben de Pakistaanse nationaliteit. Zij hebben op 9 mei 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
  4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eisers door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in het bezit zijn gesteld van een visum, dat geldig was van 15 april 2025 tot 15 mei
  5. Nederland heeft op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening een verzoek om overname gedaan. Frankrijk is hiermee akkoord gegaan op 12 augustus
  6. De beroepsgronden
  7. Eisers voeren aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens hen blijkt uit de update van het AIDA-rapport 2024 dat Frankrijk al jarenlang kampt met een structureel tekort aan opvangcapaciteit, waardoor een aanzienlijk deel van de asielzoekers zonder opvangplek komt te zitten. Ook Dublinterugkeerders belanden volgens dat rapport vaak op straat of in kraakpanden. Eisers stellen dat zij hierdoor een reëel risico lopen verstoken te blijven van opvang, wat in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Ter onderbouwing hebben zij een voorbeeld aangehaald van een ander echtpaar dat na overdracht aan Frankrijk geen opvang en medische voorzieningen kreeg. Hierbij hebben ze een kennisgeving van de vlucht van het echtpaar naar Frankrijk overgelegd, alsmede e-mails van 29 mei 2025 en 14 juni 2025 waarin dit echtpaar meldt dat hen na overdracht geen opvang en geen medische voorzieningen zijn verleend. De rechtbank overweegt als volgt.
  8. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van uitgaan dat Frankrijk de asielaanvragen van eisers zal behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dit in hun geval niet kan. Dat volgt uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
  9. Eisers zijn hier niet in geslaagd. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij Frankrijk nog altijd van dit beginsel kan worden uitgegaan. Uit deze uitspraken blijkt weliswaar dat er problemen zijn (geweest) in de Franse asielopvang, maar niet dat deze dermate structureel en ernstig zijn dat overdracht strijdig zou zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Eisers hebben met hun verwijzing naar het AIDA-rapport en een individueel voorbeeld onvoldoende concreet gemaakt dat dit oordeel niet langer houdbaar is. Bovendien blijkt uit het AIDA-rapport dat het percentage opgevangen asielzoekers in 2024 juist is toegenomen ten opzichte van 2023, zodat dit laatste rapport geen wezenlijk ander beeld oplevert dan de rapportage die de Afdeling al in haar uitspraken heeft betrokken. Het door eisers genoemde voorbeeld, een ander echtpaar dat na overdracht naar Frankrijk zonder opvang zou zijn gekomen, zegt onvoldoende over de algemene situatie of over de te verwachten situatie van eisers na overdracht. Voor zover problemen zich voordoen, ligt het op de weg van eisers om zich te wenden tot de Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
  10. Verweerder heeft in het besluit voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Dat eisers vrezen in Frankrijk geen opvang te krijgen, maakt niet dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Conclusie en gevolgen
  11. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 24 september 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
  12. Algemene wet bestuursrecht. Verordening (EU) nr. 604/
  13. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder andere de uitspraken met vindplaatsen ECLI:NL:RVS:2023:4441, ECLI:NL:RVS:2023:3737, ECLI:NL:RVS:2024:1863 en ECLI:NL:RVS:2024:3552.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.