← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:17660

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.12538 V-nummers: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1958, van Syrische nationaliteit, eiser en [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1975, van Syrische nationaliteit, eiseres hierna samen: eisers (gemachtigde: mr. M. Grigorjan) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F. Mahler). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag van 1 maart 2021 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij [familielid] ”. 1.
  2. In het primaire besluit van 3 maart 2022 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Op 23 maart 2022 hebben eisers tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 31 maart 2023 is het bezwaar van eisers met het bestreden besluit ongegrond verklaard. 1.
  3. Op 24 april 2023 heeft [familielid] , die in deze procedure optreedt als referent, namens zijn ouders beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  4. Verweerder heeft op 19 december 2024 een verweerschrift ingediend. 1.
  5. De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, M. Khouriyousef als tolk in de Syrische taal en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank
  6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag om verlening van een mvv op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
  7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waar deze zaak over gaat
  8. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Als gevolg van de Syrische burgeroorlog en de grote mate van geweld in hun woonplaats [woonplaats] , is referent samen met eiseres en zijn broer in september 2014 gevlucht naar buurland Libanon, waar delen van de familie van eiseres verblijven. Referent heeft vervolgens asiel aangevraagd en op 9 oktober 2020 een asielvergunning voor bepaalde tijd in Nederland gekregen. Referent wil nu ook eisers naar Nederland halen en heeft namens eisers op 1 maart 2021 een mvv aangevraagd met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij referent”.
  9. In het primaire besluit stelt verweerder dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM, dat referent niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet en dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referent en eisers bestaat. In het bestreden besluit is verweerder van standpunt gewijzigd en wordt wel aangenomen dat referent aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt en geconcludeerd dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eisers en referent. Daarom valt de belangenafweging in het nadeel van referent en eisers uit en heeft verweerder de aanvraag in het bestreden besluit afgewezen.
  10. De rechtbank stelt vast dat enkel de belangenafweging tussen partijen ter discussie staat. Ten aanzien van een aantal belangen wordt door partijen niet betwist dat verweerder deze neutraal of in het voordeel van eisers en referent heeft gewogen. Het gaat hierbij om de volgende belangen. Allereerst wordt door verweerder aangenomen dat er een objectieve belemmering is om het gezinsleven in Syrië uit te voeren. Dit is in het voordeel gewogen. Aan de medische problemen van eisers komt geen groot gewicht toe in de belangenafweging en wordt dus neutraal gewogen. Verder komt er een gering positief gewicht toe aan de binding van eisers met Nederland. Daarnaast zijn eisers geen gevaar voor de openbare orde in Nederland omdat ze geen antecedenten hebben. Dit wordt ook in het voordeel gewogen. Tot slot wordt in het voordeel gewogen dat eisers een geldig document voor grensoverschrijding hebben. Nu deze belangen niet ter discussie staan, behoeven deze geen verdere bespreking. Beoordeling gronden
  11. Hieronder zal de rechtbank vervolgens ingaan op de belangen die door verweerder in het nadeel van eisers en referent zijn gewogen. Aard en intensiteit gezinsleven
  12. Eisers zijn allereerst van mening dat verweerder de aard en intensiteit van het gezinsleven onvoldoende heeft meegewogen in de belangenafweging. Referent en eiseres hebben namelijk altijd samengewoond totdat referent is gevlucht uit Libanon. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat referent en eisers in Nederland niet samen zullen gaan wonen. Referent is voornemens om samen met zijn ouders in een rustigere buurt te gaan wonen, vlakbij andere familie in [naam plaats 1] . De omstandigheid dat referent toekomstplannen heeft met betrekking tot woonwensen maakt de band tussen referent en zijn ouders en de noodzaak om bij elkaar te zijn niet minder. 8.
  13. Verweerder heeft de aard en intensiteit van het gezinsleven zwaar in het nadeel gewogen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat dit bij nader inzien enkel in het nadeel wordt gewogen. De kwalificatie “zwaar” is daarmee niet meer van toepassing. Verweerder blijft bij het standpunt dat de aard en intensiteit van het gezinsleven in het nadeel wordt gewogen, omdat referent niet van plan is met eisers samen te gaan wonen. Het familieleven wordt volgens verweerder dan onvoldoende gecontinueerd om de aard en intensiteit van het familieleven in het voordeel te wegen. 8.
  14. De rechtbank volgt bovenstaand standpunt van verweerder niet. Tijdens de hoorzitting nareis verklaart referent het volgende als hem wordt gevraagd waar hij denkt dat eisers zullen gaan wonen: “Wij vinden [naam plaats 2] niet geschikt voor hen, ze zijn op leeftijd en [naam plaats 2] is moeilijk voor hen. Ze kunnen beter in een rustige omgeving wonen, bijvoorbeeld bij mijn tante. Zij is op dezelfde leeftijd en haar kinderen kunnen hen ook helpen. In het gebied van mijn tante kunnen zij een eengezinswoning krijgen, dat is ideaal voor mijn vader, om in de tuin te klussen.”. De rechtbank leest hier niet in dat referent niet bij eisers zou gaan wonen. Op de zitting heeft referent samen met zijn gemachtigde bevestigd dat hij de intentie heeft om met eisers samen te gaan wonen. De rechtbank kan de aanname van verweerder dat referent en eisers niet zullen gaan samenwonen dan ook niet volgen. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ten aanzien van de aard en intensiteit van het familieleven onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt. Stappen richting zelfstandigheid
  15. Verder stellen eisers dat verweerder onterecht heeft gesteld dat referent stappen in de richting van zelfstandigheid heeft gezet en dit in het nadeel heeft gewogen in de belangenafweging. De omstandigheid dat referent twee jaar zonder eisers in Nederland verblijft en een opleiding wil gaan volgen maken hem niet zelfstandig. Referent verblijft noodgedwongen zonder eisers. Hij heeft uitgelegd dat hij deze scheiding als heel moeilijk en traumatisch ervaart en dat hij hier nog steeds niet aan kan wennen. Hoewel zijn oudere broer en tante hun best doen om referent op te vangen, kunnen zij de zorg en opvoedtaken van eisers niet volledig vervangen. Referent heeft eisers nodig en dit heeft hij tijdens de hoorzitting in duidelijke taal geuit. Ook de omstandigheid dat referent in Libanon en in Nederland heeft gewerkt maken hem niet zelfstandig. Referent mist eisers en heeft daar zelfs (fysiek en mentaal) last van in zijn dagelijks leven. 9.
  16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat referent voldoende stappen richting zelfstandigheid heeft gezet om dit in het nadeel te kunnen meewegen. Allereerst heeft referent volgens verweerder in Nederland stappen richting zelfstandigheid gezet. Referent heeft tijdens de hoorzitting nareis verklaard dat hij sinds twee à tweeënhalf jaar zelfstandig in een wooncomplex voor studenten woont. Daar moest referent onder andere zelf koken, wassen, poetsen, en boodschappen doen. Ook heeft hij in Nederland een paar maanden in de horeca gewerkt. Ook is hij van plan om te gaan beginnen aan een opleiding tot APK-controleur. Verder heeft referent volgens verweerder in Libanon stappen richting zelfstandigheid gezet. Referent heeft tijdens de hoorzitting nareis immers verteld dat hij in Libanon veel werkte. Hij werkte drie avonden in een nachtclub en daarnaast repareerde hij elke dag motoren. Deze stappen naar zelfstandigheid, in Libanon en in Nederland, maken dat hij in mindere mate afhankelijk is, of geacht kan worden te zijn, van zijn ouders ook al heeft hij voor zijn komst naar Nederland altijd met hen in gezinsverband geleefd. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de nadruk met name wordt gelegd op de periode dat referent in Nederland stappen richting zelfstandigheid heeft gezet. 9.
  17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in het nadeel heeft mogen wegen dat referent stappen richting zelfstandigheid heeft gezet. De rechtbank merkt op dat het onvermijdelijk is dat een jongvolwassen referent na het indienen van een gezinsherenigingsaanvraag ouder en zelfstandiger wordt en dat dit met zich brengt, anders dan verweerder heeft betoogd, dat hier in de belangenafweging in beginsel slechts zeer beperkt gewicht aan toekomt in het nadeel van betrokkenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in het nadeel is gewogen dat referent stappen richting zelfstandigheid heeft gemaakt nu hier slechts een beperkt gewicht aan toe kan komen. Deze beroepsgrond slaagt. Binding met land van herkomst
  18. Daarnaast zijn eisers van mening dat verweerder de band van eisers met Syrië onterecht in het nadeel heeft gewogen. Er is namelijk geen band meer met Syrië. Eisers zijn gevlucht uit Syrië en wonen al jaren in Libanon. Van eisers kan niet worden verwacht dat zij naar Syrië terugkeren. Verweerder had in het kader van de belangenafweging de huidige woonplaats moeten betrekken. De band met Libanon is absoluut niet sterker dan de band met Nederland. Eisers zijn vluchtelingen in Libanon, worden daar slecht behandeld en worden daar met uitzetting bedreigd. Van een sterke band kan daarom geen sprake zijn. Daarentegen is de band van eisers met Nederland veel sterker, aangezien hun twee kinderen en de familie van eiseres hier wonen. 10.
  19. Verweerder stelt dat eisers voldoende binding hebben met Syrië om dit in hun nadeel te kunnen wegen. Eisers zijn er geboren en getogen, spreken de taal, kennen de cultuur, de zus van eiseres woont in Damascus met haar gezin en er wonen nog andere familieleden. Gelet hierop acht verweerder de band die eisers met Syrië hebben sterk, ondanks dat zij behoren tot een minderheid en het land hebben verlaten vanwege de oorlog. 10.
  20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de band van eisers met Syrië in het nadeel is gewogen in de belangenafweging. Het enkele gegeven dat eisers uit Syrië komen en er nog familie woont, maakt volgens de rechtbank niet dat er sprake is van voldoende banden die kunnen worden tegengeworpen. Eisers wonen al tien jaar niet meer in Syrië. Ze zijn noodgedwongen gevlucht naar Libanon. Het Syrië dat eisers kenden is door de aanhoudende oorlog sterk veranderd. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze omstandigheden maken dat er voldoende banden zijn met Syrië om dit in het nadeel te kunnen wegen. Deze beroepsgrond slaagt. Eerste toelating versus eerder rechtmatig verblijf
  21. Ook stellen eisers zich op het standpunt dat te zwaar in het nadeel wordt gewogen dat zij niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland hebben gehad. 11.
  22. Verweerder heeft in het nadeel gewogen dat eisers niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland hebben gehad. Zij hebben daardoor nog geen leven opgebouwd in Nederland. Referent heeft ook nog nooit met eisers in Nederland gewoond. 11.
  23. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers wordt tegengeworpen dat ze niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland hebben gehad. In het geval van een eerste toelating moet immers een neutraal uitgangspunt worden gehanteerd bij de belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt. Belangen van de staat
  24. Tot slot zijn eisers van mening dat er onevenredig veel gewicht wordt toegekend aan de omstandigheden die in het belang zijn voor de Nederlandse staat. Dat referent niet over een inkomen beschikt wordt door verweerder in het nadeel gewogen. Referent beschikt inderdaad niet over voldoende inkomen, maar zijn belang om eisers in Nederland te hebben weegt volgens referent veel zwaarder dan de omstandigheid dat hij niet over voldoende inkomen beschikt. De omstandigheid dat hij niet over voldoende inkomen beschikt is bovendien inherent aan zijn situatie als jongvolwassene. Er wordt door verweerder alleen aangegeven dat de ouders ten laste komen van de Nederlandse samenleving. Verder wordt niet onderbouwd waarom eisers niet in staat zouden zijn om na hun komst naar Nederland voor hun eigen inkomen te zorgen. 12.
  25. Verweerder heeft de economische belangen van de Nederlandse staat in het nadeel gewogen van eisers en referent. 12.
  26. Volgens verweerder moeten eisers allereest voor langere tijd gebruikmaken van de openbare kas. Referent heeft namelijk verklaard dat eiser vanwege zijn leeftijd en gezondheid in Libanon niet meer werkt. Verweerder acht het niet aannemelijk dat hij nog zal genezen en in staat zal zijn om in Nederland te gaan werken. Eiseres heeft volgens referent in Libanon permanente make-up en bruidsmake-up verzorgd. Dit doet zij volgens referent nu nog steeds, maar dan thuis, voor buren en kennissen, hier en daar wat kleine klusjes. Gelet op deze verklaringen acht verweerder het niet onaannemelijk dat eiseres op termijn mogelijk enig inkomen zal kunnen verwerven. Dit is echter afhankelijk van verschillende factoren die nu nog hoogst onzeker zijn. Zoals of zij een opleiding hiertoe kan gaan volgen om de benodigde papieren voor dit werk in Nederland te krijgen. En of zij gelet op haar medische klachten daadwerkelijk in staat zal zijn om dit werk uit te oefenen. Het is daarom niet op voorhand aannemelijk dat eiseres in Nederland daadwerkelijk dit werk zal kunnen uitvoeren. Verweerder verwacht daarom dat eisers gebruik zullen moeten maken van de openbare kas. 12.2.
  27. De rechtbank is van oordeel dat voldoende deugdelijk is gemotiveerd waarom eiser voor langere tijd gebruik moet maken van de openbare kas. Eiser heeft gezondheidsklachten waardoor hij nu in Libanon niet kan werken. Gezien zijn leeftijd en gezondheid is het niet aannemelijk dat eiser in Nederland zal gaan werken op een wijze die voldoende inkomen zal genereren. Ten aanzien van eiseres is de rechtbank evenwel van oordeel dat onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd waarom zij voor langere tijd gebruik moet maken van de openbare kas. Anders dan verweerder stelt hoeft eiseres immers geen opleiding te volgen om haar werkzaamheden in Nederland voort te kunnen zetten. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom haar medische toestand het niet zou toelaten om hier te werken. Uit de hoorzitting nareis blijkt immers dat eiseres in Libanon nog in staat is om te werken. Eiseres verzorgde in Libanon permanente make-up en bruidsmake-up. Zij doet dit nu nog steeds, maar dan thuis, voor buren en kennissen en hier en daar wat kleine klusjes. Haar medische toestand laat het nu dus toe om werk te verrichten in Libanon. Deze beroepsgrond slaagt. 12.
  28. Verder moeten eisers volgens verweerder voor langere tijd gebruik maken van de publieke voorzieningen, waaronder onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Eisers spreken geen Nederlands, zijn niet bekend met de Nederlandse cultuur en niet is gebleken dat zij een opleiding hebben genoten die hen in staat stelt om op korte termijn in Nederland in hun eigen inkomen te voorzien. Deze omstandigheden zorgen ervoor dat eisers in Nederland eerst zullen moeten integreren en onderwijs moeten volgen. En gelet op hun medische klachten is het volgens verweerder te verwachten dat zij in Nederland een beroep zullen doen op de gezondheidszorg. 12.3.
  29. De rechtbank oordeelt als volgt. Nederland stelt een inburgeringscursus verplicht. Omdat deze cursus verplicht is, kan daar niet het zwaartepunt worden gelegd bij de tegenwerping dat eisers gebruik maken van de openbare kas. Verder is het aannemelijk dat eisers vanwege hun gezondheidsklachten op enig moment gebruik moeten gaan maken van de gezondheidszorg. Verweerder is echter niet ingegaan op de vraag op wat voor schaal eisers gebruik zullen gaan maken van de zorg en daarmee welke zwaarte dit aspect moet krijgen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom in eisers nadeel moet wegen dat zij voor langere tijd gebruik zullen maken van de publieke voorzieningen. Deze beroepsgrond slaagt. 12.
  30. Ook heeft referent volgens verweerder onvoldoende middelen van bestaan. Referent heeft tijdens de hoorzitting nareis verklaard dat hij op dit moment enkel een inkomen ontvangt uit een uitkering. Uit de gegevens van Suwinet blijkt dat hij sinds 1 december 2020 een uitkering in het kader van de Participatiewet ontvangt. Referent heeft verteld dat hij met de uitkering niet voldoende geld heeft om van rond te komen en dat hij af en toe geld leent van zijn broer en van een vriend. Zijn gemachtigde heeft in dit verband in de brief van 19 mei 2022 aangevoerd dat zijn inkomen in Nederland onvoldoende is om zichzelf en/of zijn familieleden te onderhouden. Gelet op al deze verklaringen concludeert verweerder dat hij over onvoldoende middelen van bestaan beschikt om in Nederland eisers financieel gezien te kunnen onderhouden. 12.4.
  31. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het in het nadeel van eisers kan worden gewogen dat referent geen middelen van bestaan heeft. Dat referent eisers niet financieel kan onderhouden is immers inherent aan het zijn van een jongvolwassene volgens het jongvolwassenenbeleid; dat ligt hierin besloten. Daar dient verweerder zich in de belangenafweging kenbaar rekenschap van te geven en hier gewicht aan toe te kennen, hetgeen verweerder niet heeft gedaan. Deze beroepsgrond slaagt. 12.
  32. Tot slot weegt verweerder in het nadeel dat referent niet van plan zou zijn met eisers in Nederland samen te gaan wonen. Gelet hierop is het te verwachten dat eisers in Nederland een eigen woning nodig zullen hebben. Dit drukt op de woningnood die er momenteel in Nederland is. 12.5.
  33. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom referent niet samen zou gaan wonen met eisers. Hiervoor verwijst de rechtbank naar wat hierover in rechtsoverweging 9.
  34. is overwogen. Conclusie en gevolgen
  35. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken. 13.2 Bij het nieuw te nemen besluit zal verweerder ook rekening dienen te houden met de door eisers in beroep overgelegde e-mail van mevrouw [naam] , [functie] mbo jeugdteam Amsterdam en het schrijven van mevrouw [tante] , de in Nederland wonende tante van referent. Beide stukken bevatten relevante informatie over de zelfstandigheid van referent.
  36. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 31 maart 2023; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hoorzitting nareis, p.
  37. Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBAMS:2025:
  38. ECLI:NL:RBAMS:2025:
  39. Hoorzitting nareis, p.
  40. Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBMNE:2024:7534.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.