Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 24-634 Zaaknummer: C/09/676442 Datum beschikking: 30 september 2025 Beschikking op het op 25 november 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende te [district] , Suriname, advocaat: mr. A.M.J.M. Louwerse te Purmerend. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door: mr. [medewerker IND] . Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 20 januari 2025 van de IND; - de brief van 14 februari 2025, met bijlagen, van verzoeker; - de brief van 22 mei 2025 van verzoeker; - de brief van 17 juli 2025, met bijlagen, van de IND; - de brief van 21 augustus 2025 van verzoeker. Op 9 september 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker en mr. [medewerker IND] namens de IND. Verzoeker is zelf niet op de mondelinge behandeling verschenen. Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt tot:1) vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker; althans 2) vaststelling tot wanneer verzoeker dan wél Nederlander is geweest; 3) herkrijging van de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht, indien verzoeker het Nederlanderschap heeft verloren; een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de IND in de kosten van het geding. De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Feiten Verzoeker is op [geboortedatum] 1955 geboren te [geboorteplaats] (Suriname). Bij zijn geboorte verkreeg verzoeker van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. In 1975 is verzoeker vanuit Suriname in Nederland gaan wonen. Uit de Basisregistratie Personen volgt als datum van eerste inschrijving in Nederland 10 september 1975. Op 25 november 1975 (verzoeker was toen meerderjarig) werd Suriname onafhankelijk en trad de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS) in werking. Op grond van artikel 3 van deze overeenkomst behield verzoeker de Nederlandse nationaliteit, omdat hij weliswaar in Suriname is geboren maar bij inwerkingtreding van de TOS in Nederland zijn hoofdverblijf had. Op 21 oktober 2008 is verzoeker vanuit Nederland teruggekeerd naar Suriname met gebruikmaking van de voorzieningen van de Remigratiewet. Bij besluit van 25 oktober 2010 van de President van de Republiek Suriname is aan verzoeker met ingang van 25 oktober 2010 de Surinaamse nationaliteit verleend, waarbij verzoeker erop is gewezen dat hij al het mogelijke moet doen om zijn vorige nationaliteit te verliezen omdat anders de Surinaamse nationaliteit kan worden ingetrokken. Bij brief van 30 december 2010 heeft de Sociale Verzekeringsbank verzoeker schriftelijk geïnformeerd dat hij de Nederlandse nationaliteit van rechtswege zou hebben verloren. Verzoeker beschikt over een Surinaams paspoort, geldig tot [datum] 2027. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. In geschil is of verzoeker (nog steeds) in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Op 25 oktober 2010 verkreeg verzoeker de Surinaamse nationaliteit. Verzoeker woonde toen twee jaar in Suriname en beschikte op dat moment ook over de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 15 lid 1 onder c RWN (oud) gaat het Nederlanderschap verloren indien – kort gezegd – tevens sprake is van een andere nationaliteit en een onafgebroken verblijf van tien jaar in het land van die andere nationaliteit. Op 25 oktober 2020 woonde verzoeker een ononderbroken periode van tien jaar in Suriname met zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, zodat in beginsel werd voldaan aan genoemde voorwaarde voor het verlies van het Nederlanderschap. Echter, volgens verzoeker kan hij zich met succes beroepen op de uitzondering van artikel 15 lid 4 RWN (oud) omdat hij de tienjaarstermijn heeft gestuit doordat hij in 2012 en 2017 bij de Nederlandse ambassade in Suriname mondeling heeft gevraagd om een document waarmee hij naar Nederland kon reizen. Verzoeker bedoelde daarmee een Nederlands paspoort. Aan verzoeker zijn reisvisa verstrekt. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de verstrekte visa in dit geval als documenten zoals genoemd in artikel 2 van de Paspoortwet kwalificeren, zoals bijvoorbeeld een ‘nationaal paspoort’, ‘laissez-passer’ of ‘noodpaspoort’. Als gevolg van het ‘stuiten’ van de tienjaarstermijn is verzoeker het Nederlanderschap niet verloren en is hij nog altijd Nederlander. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit wél heeft verloren, stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht zou moeten herkrijgen vanwege: 1) schending van het evenredigheidsbeginsel en 2) omdat – met inachtneming van artikel 12 lid 4 IVBPR – sprake is geweest van willekeur toen verzoeker bij zijn vertrek naar Suriname in oktober 2008 werd verplicht om de Surinaamse nationaliteit aan te vragen. De IND stelt zich op het standpunt dat de verliestermijn van tien jaar als bedoeld in artikel 15 lid 4 RWN (oud) niet is gestuit, zodat verzoeker op 25 oktober 2020 het Nederlanderschap heeft verloren. Het beroep op het vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel gaat volgens de IND niet op. De IND wijst in dit verband op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en de voor verzoeker openstaande optieprocedure van artikel 6 lid 1, onderdeel p RWN. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet al op 25 oktober 2010, de datum waarop hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg, heeft verloren op grond van artikel 15, lid 1 onder a RWN, omdat de uitzonderingen van lid 2 onder a en b van toepassing zijn (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749). Stuiting tienjaarstermijn? Partijen zijn het er over eens dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder c RWN in die zin dat verzoeker sinds 25 oktober 2010 in het bezit is (geweest) van een dubbele nationaliteit en een ononderbroken periode van tien jaar zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland of de in deze bepaling bedoelde gebieden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoeker deze periode heeft gestuit. Artikel 15, lid 1 onderdeel c jo. lid 4 RWN (geldend op 1-10-2010) luidt: 1. “Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren: a. (…); b. (…); c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;…. d. (…); (…); (…); De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.” Verzoeker heeft aangevoerd dat de tienjaarstermijn is gestuit met de aanvraag en verkrijging van een visum om naar Nederland te reizen, omdat dat in dit geval gelijk is te stellen aan het verkrijgen van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en motiveert dat als volgt In de beschikking van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:766, R.O. 3.6.1.) oordeelt de Hoge Raad: “Uit de tekst en de strekking van art. 61 BVVN, bezien in samenhang met art. 15 lid 4 RWN, volgt dat de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN van de documenten die kunnen gelden als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, limitatief is. Dit limitatieve karakter strookt voorts met het door de wetgever bij de inrichting van het nationaliteitsrecht benadrukte belang van rechtszekerheid (vgl. Kamerstukken II 1998-1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 26-27)”. De rechtbank ziet, gelet op het benadrukte belang van rechtszekerheid, aanleiding om deze strikte uitleg van de Hoge Raad ten aanzien van documenten die gelden als verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap, analoog toe te passen op ‘reisdocumenten in de zin van de Paspoortwet’. In artikel 2, lid 1 van de Paspoortwet staat een limitatieve opsomming van documenten die kwalificeren als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden. Een visum valt onder de Rijksvisumwet en is dus geen paspoort in de zin van de Paspoortwet. De advocaat van verzoeker stelt zich op het standpunt dat een visum alleen kan worden verstrekt aan niet-Nederlanders. En omdat verzoeker (als gevolg van de reeds genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015) in 2012 en 2017 nog steeds Nederlander was, zijn volgens de advocaat ten onrechte reisvisa aan hem verleend en had dat een paspoort moeten zijn. In dat geval had verzoeker de tienjaarstermijn van artikel 15 lid 1 onder c RWN gestuit en stond zijn Nederlanderschap niet ter discussie, zo betoogt verzoeker. De rechtbank volgt deze redenatie niet. Een aanvraag in de zin van de Paspoortwet gaat ervan uit dat je een beroep doet op je Nederlanderschap. Daarmee wordt de tienjaarstermijn nadrukkelijk gestuit. Verzoeker heeft geen beroep gedaan op zijn Nederlanderschap, maar ging er zelf vanuit dat hij het Nederlanderschap al verloren was. Het feit dat verzoeker achteraf bezien niet daadwerkelijk een visum nodig had om naar Nederland te reizen, maakt niet dat daarmee het verkregen visum ineens moet worden aangemerkt als een paspoort. Artikel 15, lid 1 onderdeel c De rechtbank begrijpt dat verzoeker zich vervolgens op het standpunt stelt dat de Nederlandse autoriteiten hem in de positie hebben gebracht, waarin hij het Nederlanderschap heeft verloren en dat daarom artikel 15 lid 1, onder c, RWN niet op hem van toepassing is. Verzoeker moest immers de Surinaamse nationaliteit aanvragen op straffe van verlies van zijn remigratie-uitkering. Hierdoor is de situatie ontstaan dat verzoeker een dubbele nationaliteit kreeg. Pas na de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 kon verzoeker weten dat hij het Nederlanderschap niet op grond van artikel 15 lid 1, onder a RWN had verloren. Tot het moment van de uitspraak van de Hoge Raad gold voor verzoeker dat hij op grond van de Surinaamse remigratieregeling alles in het werk moest stellen om zijn Nederlanderschap te verliezen. Hij heeft dit ook gedaan, terwijl hij achteraf het Nederlanderschap bleek te hebben behouden. Ook de Staat ging ervan uit dat verzoeker het Nederlanderschap al eerder had verloren. Als gevolg hiervan heeft verzoeker de verliestermijn niet tijdig gestuit en is hij vervolgens zijn Nederlanderschap verloren. De rechtbank overweegt als volgt. In de RWN is bepaald wie Nederlander is en op welke wijze het Nederlanderschap wordt verkregen of verloren gaat. De verliesgrond van artikel 15 lid 1, onder c, RWN treedt van rechtswege in. De RWN kent geen hardheidsclausule. Voor een beroep op dwaling of op omstandigheden die een beroep op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zouden kunnen rechtvaardigen is, binnen het bestek van deze procedure, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen plaats (Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8544). De rechtbank zal de argumentatie van verzoeker hierna wel bij de evenredigheidstoets betrekken. Deelconclusie I Verzoeker heeft op 25 oktober 2020 het Nederlanderschap van rechtswege verloren. Toetsing aan evenredigheidsbeginsel De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 april 2020, (ECLI:NL:HR:2020:593), voor zover van belang, het volgende overwogen: “3.5 Hetgeen hiervoor (…) is overwogen, komt in de kern erop neer dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar Suriname terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond (…) om de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.