Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-3816 Zaaknummer: C/09/685612 Datum beschikking: 20 augustus 2025 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 22 mei 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer in Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.C. Houwing in Berkel en Rodenrijs. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw; het aanvullend verzoekschrift namens de vrouw; het bericht van 28 juli 2025, met bijlage, namens de vrouw; het verweerschrift, met bijlagen, namens de man; het bericht van 4 augustus 2025, met bijlage, namens de vrouw; het bericht van 5 augustus 2025, met bijlagen, namens de vrouw. Op 6 augustus 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Feiten De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 1998 in [plaats] , [land] . Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.000,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van de datum van de beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Convenant Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De vrouw en de man leven al jaren gescheiden. Op 13 september 2021 hebben zij een echtscheidingsconvenant ondertekend. Desondanks is vervolgens geen verzoek tot echtscheiding ingediend. De man heeft pas recent, op 16 mei 2025, een verzoek tot echtscheiding ingediend. Tussen partijen is in geschil welke waarde er aan het convenant moet worden gehecht. Volgens de man zijn de afspraken uit het convenant geldig, ook zonder een echtscheiding, en hebben partijen daar inmiddels ook uitvoering aan gegeven. De vrouw stelt dat zij het convenant na de ondertekening heeft vernietigd. De rechtbank zal de status van het convenant in deze procedure niet beoordelen, omdat dat het bestek van deze voorlopige voorziening te buiten gaat. Voorlopige alimentatie De rechtbank constateert dat de vrouw en de man op dit moment nog gehuwd zijn, dat een echtscheidingsprocedure is gestart en dat sprake is van een wederzijdse onderhoudsplicht op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank is met het oog op de berekeningen die zijn gemaakt in het kader van het echtscheidingsconvenant van oordeel dat voldoende is gebleken dat de vrouw na het uiteen gaan van partijen behoefte had en heeft aan een bijdrage van de man. Ten aanzien van de behoeftigheid van de vrouw merkt de rechtbank op dat de vrouw geen inzicht heeft gegeven in haar huidige inkomsten. De vrouw heeft daarentegen wel onderbouwd dat zij geen bijstandsuitkering kan aanvragen, onder andere omdat zij nog gehuwd is, en dat zij ondanks haar arbeidsongeschiktheid geen WIA-uitkering kan aanvragen, omdat zij zelfstandig ondernemer is (geweest). De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw en de man hebben een convenant ondertekend waarin zij, in afwijking van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, een door de man te betalen partneralimentatie van € 800,- per maand (voor 36 maanden) zijn overeengekomen, waarbij er kennelijk ook rekening mee is gehouden dat de vrouw zou interen op het haar toekomende deel van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. De rechtbank acht het redelijk om in deze procedure hierbij aan te sluiten. De vrouw heeft gedurende drie jaar daadwerkelijk met deze bijdrage in haar behoefte kunnen voorzien, mede, zoals in het convenant aangegeven, door in te kunnen teren op haar aandeel van de overwaarde uit de verkoop van een gezamenlijke woning en met eventueel aanvullende inkomsten en/of giften. De rechtbank ziet niet dat deze situatie substantieel is gewijzigd, zodat het redelijk is om aan te nemen dat voor de vrouw de behoeftigheid ter hoogte van € 800,- per maand nog bestaat. De vraag of de vrouw eventuele verdiencapaciteit zou kunnen inzetten om de behoeftigheid te verminderen leent zich niet voor onderhavige procedure. De rechtbank merkt daarbij op dat ook de man dit bedrag aan partneralimentatie subsidiair heeft verzocht en dat uit de door hem overgelegde berekening blijkt dat de man voldoende draagkracht heeft om deze bijdrage te betalen. Als ingangsdatum zal de rechtbank, zoals door de vrouw verzocht, de datum van deze beschikking hanteren. Beslissing De rechtbank: bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een partneralimentatie van € 800,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.