Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2025:18240
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/289 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] ( [land] ), eiser en de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder (gemachtigden: mr. N. Hmoumou en mr. J.M.A. Koster).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om zijn klacht niet verder te onderzoeken.
1.1.
Verweerder heeft in het besluit van 14 augustus 2024 aangegeven dat hij eisers klacht in gepaste mate heeft onderzocht en geen verder onderzoek zal doen. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 is het bezwaar van eiser daartegen kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eiser is zonder berichtgeving niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
Wat vindt eiser in beroep?
Bij bericht van 4 februari 2025 heeft eiser zijn beroepsgronden aangevuld. Daarin wijst eiser er op dat het de plicht van verweerder om handhavend op te treden bij een datalek. Die verplichting mag niet worden afgeschoven naar in dit geval het HvD. Als bijlagen stuurt eiser stukken mee van het HvD die zien op eisers klachtprocedure als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Awb.
Bij bericht van 13 maart 2025 heeft eiser zijn beroepsgronden nogmaals aangevuld. Eiser wijst op Europese regelgeving en jurisprudentie waaruit volgt dat verweerder, door eisers AVG-klacht over een datalek niet te beoordelen en geen gemotiveerd oordeel te geven over de geconstateerde schendingen, verweerder niet alleen haar verplichtingen ex artikel 8, derde lid, van het Handvest EU schendt, maar zij ook niet voldoet aan de plicht tot effectieve rechtsbescherming, zoals vastgelegd in artikel 47 van het Handvest EU.
Bij bericht van 23 juli 2025 en 7 augustus 2025 wijst eiser er onder meer op dat verweerder de beroepsprocedure doorkruist door een hoorzitting te houden in eisers bejegeningsklacht als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Awb.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bejegeningsklacht 4. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser zowel een AVG-klacht als een bejegeningsklacht als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Awb bij verweerder heeft ingediend. Hoofstuk 9 van de Awb gaat over de bejegening van iemand door het bestuursorgaan.
Uit het dossier blijkt dat de klachtenfunctionaris van verweerder op 22 december 2023 ook in gesprek is gegaan met eiser over het verschil tussen de twee klachtprocedures. Uit de door eiser ingediende aanvullende beroepsgronden van 4 februari 2025, 23 juli 2025 en 7 augustus 2025 leidt de rechtbank af dat het voor eiser nog altijd niet duidelijk is dat er twee verschillende klachtprocedures bij verweerder hebben gelopen. De rechtbank is alleen bevoegd het beroep tegen de afhandeling van eisers AVG-klacht te beoordelen. De rechtbank is niet bevoegd te oordelen over een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Awb. Indien eiser het niet eens is met de afhandeling van deze bejegeningsklacht kan hij zich wenden tot de Nationale Ombudsman.
AVG-klacht 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder kon afzien van het doen van nader onderzoek. De rechtbank legt hierna uit hoe ze tot dit oordeel komt.
Als daaruit bijvoorbeeld al blijkt dat de mail per ongeluk is gewist maakt dat nog niet dat er ook een overtreding van de AVG is geweest. Verweerder heeft ter zitting nogmaals toegelicht een datalek op zichzelf niet een overtreding van de AVG oplevert. Het criterium is of het HvD passende organisatorische maar ook beveiligings- maatregelen heeft getroffen.
Verweerder zal niet alleen moeten kijken naar de technische werking van de servers maar ook naar het beleid rond de technische en organisatorische maatregelen die het HvD heeft getroffen met betrekking tot haar e-mailinfrastructuur en of deze maatregelen daadwerkelijk worden nageleefd. Daarvoor is nader onderzoek nodig en daarom valt eisers klacht in de derde categorie van de vaste werkwijze van verweerder zoals genoemd in rechtsoverweging zes.
Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de AVG-klacht van eiser niet nader hoefde te onderzoeken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De hoogste tuchtrechter voor de advocatuur.
Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Artikel 9:3 van de Awb.
Artikel 9:1 en 9:12 van de Awb.
Artikel 57, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG.
Zie: www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/een-tip-of-klacht-indienen-bij-de-ap/behandeling-van-klachten-door-de-ap.
Onrechtmatige gegevensverwerking, artikel 6 van de AVG.