RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 24/289 en 24/300 [V-Nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1977, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser (gemachtigde: mr. M.G. Evers), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder, hierna te noemen: de minister (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans). Inleiding
- In deze uitspraak beslist de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) op het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
- Bij besluit van 4 januari 2023 heeft de minister vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan per juni 2019 van rechtswege is geëindigd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.
- Met het bestreden besluit van 7 december 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank en verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.
- De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 1.
- De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. 1.
- Na afloop van de zitting heeft de rechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. Achtergrond en besluitvorming
- Eiser heeft met ingang van 31 oktober 2017 een EU/EER verblijfsrecht gekregen vanwege zijn relatie met referente, een Unieburger. Dit betrof dus een afhankelijk verblijfsrecht. Volgens de minister is het verblijfsrecht van eiser in juni 2019 van rechtswege geëindigd omdat uit onderzoek is gebleken dat referente in juni 2019 met een Hongaarse man is verloofd en in september 2019 met hem is getrouwd. Om die reden komt aan eiser geen afgeleid verblijfsrecht meer toe. Aangezien de relatie korter dan drie jaar heeft geduurd, komt eiser ook niet in aanmerking voor voortgezet verblijf op grond van artikel 8.15, vierde lid en onder a, van het Vreemdelingenbesluit
- Is het beroep ontvankelijk? 3.
- De eerste vraag is of het beroep van eiser ontvankelijk is gelet op de te laat ingediende gronden van beroep. De gemachtigde van eiser had tot en met 2 februari 2024 de gelegenheid om de gronden van beroep in te dienen. De rechtbank heeft uiteindelijk 17 dagen later, op 19 februari 2024, een reactie van de gemachtigde van eiser ontvangen. 3.
- Eisers gemachtigde erkent de termijnoverschrijding, maar stelt zich op het standpunt dat deze verschoonbaar is omdat eiser tot begin februari volstrekt onvindbaar was, ernstig ziek bleek te zijn en niet over een telefoon beschikte. 3.
- Gelet op de jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024 kan de rechtbank oordelen dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen. De beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, vergt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering. Hierbij valt in de eerste plaats te denken aan persoonlijke omstandigheden van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener. In de tweede plaats kan worden gedacht aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand. 3.
- Daarnaast biedt de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 van de Awb de rechtbank enige ruimte om ook in gevallen waarin sprake is van slechts een geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij kunnen de hoedanigheid van de indiener (burger, onderneming, belangenorganisatie, bestuursorgaan) en de mate van deskundigheid en professionaliteit, de omvang van de termijnoverschrijding en de vraag of sprake is van een meerpartijengeschil een rol spelen. Volgens het CBb is een termijnoverschrijding in het geval van een professionele rechtshulpverlener doorgaans niet verschoonbaar, en dient er sprake te zijn van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener. Van een professionele rechtshulpverlener mag immers onder meer worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt, eventueel gebruik maakt van de mogelijkheid om een pro-formabezwaarschrift of -beroepschrift in te dienen, in geval van een capaciteitstekort inspanningen verricht om dit op te vangen en tijdig voorzieningen treft voor vervanging bij eventuele uitval. 3.5 De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet gezegd kan worden dat de termijnoverschrijding niet verwijtbaar is of dat de gemachtigde van eiser slechts een gering verwijt treft. Allereerst heeft eiser niet onderbouwd dat hij niet in staat was om contact te leggen met zijn gemachtigde. Aan de zijde van de gemachtigde van eiser is verder ook niet gebleken van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden. Zoals reeds in 3.
- is overwogen, valt het indienen van de beroepsgronden binnen de verplichtingen die redelijkerwijs mogen worden verwacht van een gemachtigde als professioneel rechtshulpverlener. De enkele stelling dat hij geen contact kon krijgen met eiser ten tijde van het indienen van het pro forma beroepsschrift, doet hier niet aan af. Zo er al sprake zou zijn geweest van een overmachtssituatie aan de zijde van eiser, hetgeen dus niet onderbouwd is, dan had het in elk geval op de weg van de gemachtigde gelegen om hierover tijdig contact op te nemen met de rechtbank. Dit heeft hij nagelaten. 3.
- Desondanks laat de rechtbank een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van deze eiser achterwege. Daarvoor is doorslaggevend dat de minister geen standpunt heeft ingenomen over het procesbelang, dat er geen andere partijen zijn betrokken bij dit geschil en dat er maar één inhoudelijke – en bovendien overzichtelijke – beroepsgrond is. Het te laat indienen van deze beroepsgrond staat een goed verloop van de procedure zodoende niet in de weg. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding af te zien van een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De rechtbank zal het beroep daarom ook inhoudelijk beoordelen. Heeft de minister mogen stellen dat eisers verblijfsrecht is geëindigd? 4.
- Eiser voert aan dat de relatie tussen eiser en referente al in de zomer van 2016 is aangevangen. Ter onderbouwing van deze stelling overlegt eiser een e-mail waarin de gemachtigde van eiser aan referente vraagt om schriftelijk te bevestigen dat zij in de zomer van 2016 met eiser heeft samengewoond. Referente bevestigt daarop per e-mail dat zij in die periode een relatie met eiser had. 4.
- Het betoog van eiser komt erop neer dat de relatie tussen eiser en referente langer dan drie jaar heeft geduurd en dat eiser daarmee in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. De rechtbank is echter van oordeel dat de enkele schriftelijke verklaring van referente onvoldoende onderbouwing is voor de gestelde (relatievorming en) samenwoning in die periode. Zoals verweerder heeft overwogen op pagina twee van het bestreden besluit, is deze verklaring tegenstrijdig met de eerdere verklaringen van eiser en referente. In de relatieverklaring die op 15 mei 2017 door referente is ondertekend, heeft referente ingevuld dat zij vanaf 11 februari 2017 feitelijk met eiser samenwoonde. Ook heeft op 30 oktober 2017 een hoorzitting plaatsgevonden waarbij eiser en referente hebben verklaard dat zij elkaar voor het eerst hebben ontmoet op 25 december 2016 tijdens een kerstdiner van een vriendin van referente en een vriend van eiser. De rechtbank acht het daarom, ook in het licht van hetgeen de minister in het bestreden besluit heeft overwogen, niet aannemelijk dat eiser en referente vóór 11 februari 2017 hebben samengewoond en dat de relatie zodoende drie jaar heeft geduurd. 4.3 Uit het voorgaande volgt dat de minister terecht heeft gesteld dat eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in juni 2019 van rechtswege is geëindigd. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 5.
- Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank beslist op het beroep, is het treffen van een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. 5.
- Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2025 door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- ECLI:NL:CBB:2024:
- ECLI:NL:CBB:2024:31 r.o. 3.2.