REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/2503 en SGR 25/2502 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2025 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven), tegen het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder (gemachtigden: mr. G. Günes en E. Rippens). Inleiding 1.
- Verzoekster heeft haar aanvraag om een urgentieverklaring op 3 september 2024 ingediend bij verweerder. 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het (primaire) besluit van 18 november 2024 afgewezen. Voor toepassing van de hardheidsclausule bestaat geen aanleiding. Met het (bestreden) besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (SGR 25/2503). Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 25/2502). 1.
- Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld van [ex-partner] (ex-partner), de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster in deze zaak voldoende spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om ook op het beroep van verzoekster te beslissen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Waar gaat deze zaak over? 2.
- Verzoekster is na de scheiding van haar ex-echtpartner achtergebleven in de gezamenlijke particuliere (vrije sector) huurwoning. Zij hebben gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige zoon (geboren in 2012), die bij verzoekster woont. Bij verzoekster woont ook haar meerderjarig dochter (geboren in 2003). Op 23 juni 2022 heeft verzoekster twee aanrijdingen meegemaakt op één dag, met medische gevolgen waarvoor zij langdurig revalidatie en behandeling volgt. Door huurverhoging en baanverlies kon verzoekster de vaste lasten niet meer betalen. Voor de periode 7 oktober 2022 tot 30 september 2024 heeft zij een tijdelijk huurcontract gekregen voor een andere woning in Delft. De verhuurder wilde de woning niet verder verhuren, omdat hij deze wil verkopen. Verzoekster stelt sinds die tijd dakloos te zijn. 2.
- Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd. Op 24 september 2024 heeft de Delftse Adviescommissie Voorrangsbepaling (DAV) een advies uitgebracht, waarin is overwogen dat sprake is van meerdere algemene weigeringsgronden. Daarom moet de aanvraag eigenlijk worden afgewezen. De DAV heeft verweerder geadviseerd om een urgentieverklaring af te geven op grond van de hardheidsclausule in artikel 7:3 van de Verordening, te weten voor reguliere urgentie voor een driepersoonshuishouden, geldig vanaf 22 oktober 2024 voor een periode van drie maanden. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft, in afwijking van het advies van de DAV, geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausuele. Volgens verweerder is onvoldoende is gebleken dat verzoekster zich in een acute noodsituatie bevindt en dat haar situatie zich niet onderscheidt van de situatie van andere woningzoekenden.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, gelet op het advies van de DAV, de algemene weigeringsgrond van artikel 4:5, onder b, van de Verordening heeft kunnen inroepen. Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor indeling in een urgentiecategorie mogelijk is, indien de woningzoekende dakloos is of dakloos wordt. Gelet hierop behoeven de andere algemene weigeringsgronden, voor zover aangevochten, geen bespreking meer. Wel zal de voorzieningenrechter de gronden gericht tegen het niet toepassen van de hardheidsclausule beoordelen.
- In artikel 7:3 van de Verordening is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders kunnen afwijken van een artikel van deze verordening, voor zover toepassing ervan op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. In hoofdstuk 4 van de Beleidsregel is bepaald dat deze hardheidsclausule ook van toepassing is op de Beleidsregel. 4.
- Verweerder heeft zich in het kader van de hardheidsclausule op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dakloosheid, omdat verzoekster en haar kinderen bij bekenden onderdak hebben en inwonen. Verzoekster heeft toegelicht dat zij met haar kinderen sinds haar vertrek uit haar laatste woning bij vijf verschillende vrienden en kennissen heeft verbleven, wat neerkomt op ongeveer 1,5 maand per verblijf. Er is geen sprake van inwoning. Zij beschikken alleen over wat kleding, al hun spullen staan opgeslagen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om niet uit te gaan van de toelichting van verzoekster. Inwoning veronderstelt een stabielere situatie, waarin iemand een min of meer vaste basis heeft van waaruit bijvoorbeeld werk en het privéleven vorm kunnen worden gegeven. Inwoning kan niet zonder meer worden aangenomen op grond van wisselend verblijf gedurende korte perioden, zoals hier aan de orde. Daarbij komt dat verweerder heeft toegelicht dat, indien verzoekster met haar kinderen op straat komt te staan, het nog maar de vraag is of ondersteuning/opvang aan de orde kan zijn. Niet in geschil is dat gezinsopvang in de gemeente Delft maatschappelijke opvang is. Verweerder heeft niet betwist dat verzoekster zelfredzaam is volgens de daarvoor geldende normen en dat zij daarom met haar gezin niet in aanmerking komt voor deze opvang, zoals is toegelicht door verzoekster en de DAV. Verzoekster is al bekend bij het daklozenloket. De voorzieningenrechter acht deze situatie van verzoekster en haar kinderen daarom (mede) van belang voor de beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van onbillijkheid van overwegende aard. 4.
- Anders dan verweerder stelt, heeft de DAV zich in haar advies niet beperkt tot de situatie op de woningmarkt. De DAV heeft de woningnood en inkomensdaling van verzoekster genoemd, die haar afhankelijk maken van sociale huur. Noodopvang is geen optie, omdat verzoekster zelfredzaam is. Zij werd door de omstandigheden gedwongen om een tijdelijke huurovereenkomst aan te gaan, waardoor de situatie niet te voorkomen was. In dit specifieke geval speelt bovendien de belangrijke factor dat het minderjarig kind van verzoekster gebaat is bij zekerheid over zijn huisvestingssituatie, die na ruim twee jaar van onzekerheid dringend nodig is voor zijn ontwikkeling. Het toepassen van de afwijzingsgronden zou in dit geval tot een schrijnende situatie leiden, aldus de DAV. 4.
- Onder de door de DAV genoemde omstandigheden valt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook de medische situatie van verzoekster sinds 2022 en het baanverlies. Verzoekster heeft diverse medische stukken ingediend. Daaruit blijkt dat bij haar postcommotioneel syndroom (PCS) en ook PTSS als gevolg van de twee ongevallen op 23 juni 2022 is vastgesteld. Verzoekster is beperkt bij alledaagse activiteiten, de huishouding, verzorging van de kinderen, zelfstandige mobiliteit buitenshuis en arbeid. 4.
- [naam 1] heeft in 2023 vermeld dat aanvankelijk een multidisciplinair revaltidatietraject is ingezet, maar dit was qua belastbaarheid niet haalbaar. Er zal eerst een psychologische behandeling worden voortgezet. Een exacte prognose is nog niet te geven. In juni 2024 vermeldt [naam 1] dat verzoekster in verband met PCS en traumagerelateerde klachten nog eerstelijns behandeling volgt bij de revalidatiearts. In oktober 2024 vermeldt [naam 1] dat de medische situatie niet is veranderd en dat verzoekster door de veranderde thuissituatie niet in staat is de revalidatiebehandeling te volgen. [naam 2] vermeldt in oktober 2024 dat er aanvankelijk enige vooruitgang was, maar dat de therapie voor verzoekster door de medische klachten en alle privéomstandigheden te belastend is. 4.
- Volgens verweerder blijkt uit de (medische) stukken niet duidelijk waarom verzoekster niet van een woning naar haar behandeling kan gaan. Verweerder stelt dat het leven van een betrokkene op het spel moet staan. Er moet met stukken van een medisch specialist worden onderbouwd dat er een verband is tussen de medische situatie en de woonproblematiek. De voorzieningenrechter overweegt dat het hier niet gaat om de vraag waarom verzoekster een afstand niet zou kunnen overbruggen. Uit de medische stukken van de medisch specialisten en de oefentherapeut blijkt genoegzaam wat de medische situatie van verzoekster is en dat verzoekster door haar veranderde thuissituatie, waar de woonproblematiek in dit geval ook onderdeel van uitmaakt, niet in staat is de revalidatiebehandeling te volgen. Verweerder wenst daarnaast een onderbouwing van een medisch specialist over de vraag of een noodsituatie ontstaat als een behandeling niet wordt gevolgd. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster dat hiermee in feite een (waarde)oordeel wordt gevraagd, hetgeen zich niet verdraagt met de voor artsen geldende gedragsregels van de KNMG. 4.
- Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een huishouden met een minderjarig kind moet worden aangetoond dat het kind niet (tijdelijk) bij de andere gezaghebbende kan wonen. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat het onmogelijk is voor de ex-echtgenoot om (meer) ondersteuning te bieden in de huisvesting van de minderjarige. Verzoekster heeft een verklaring van haar ex-partner van 31 mei 2024 overgelegd, waarin is vermeld dat hij werkzaam is bij een speciale eenheid bij Defensie. Daarom is het voor hem niet mogelijk om hun minderjarig kind tijdelijk of volledig onderdak te bieden. In verband met protocol kan hij geen informatie geven over de inhoud van zijn werkzaamheden. Nader toegelicht is dat hij een onregelmatige baan heeft en dat hij vaak in de avond en nacht niet thuis is. Daarnaast speelt de NAVO-top die binnenkort zal plaatsvinden een rol. De ex-partner kan het kind geen stabiele woonsituatie bieden. Hij huurt een kleine woning en het is hem niet toegestaan om nog drie mensen in de woning te laten verblijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de opties die verweerder noemt voor verblijf van het minderjarig kind bij zijn vader - zoals meer dagen bij hem verblijven of het inschakelen van een oppas als de vader opeens en veelvuldig wordt opgeroepen voor zijn werk - weinig realistisch zijn in deze situatie. Het is voldoende duidelijk geworden dat de ex-partner geen ondersteuning kan bieden in de huisvesting van het minderjarige kind. 4.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheden van verzoekster in dit specifieke geval zodanig bijzonder zijn, dat verweerder, in afwijking van het advies van de DAV, niet in redelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule kon afzien. Van belang is dat er nauwe samenhang is tussen het stagneren van de behandeling door de medisch specialist(en) en de woonproblematiek. Verzoekster is - door haar medische situatie, het niet meer kunnen werken en baanverlies - uiteindelijk in een situatie geraakt waarin zij aangewezen is op een sociale huurwoning. Verzoekster en haar kinderen, onder wie een minderjarige, verkassen na korte perioden telkens naar een andere plek, met alle onrust die daarbij komt kijken. Gezinsopvang is in dit geval geen optie. Van een stabiele situatie is dan ook geen sprake. Dit alles is niet goed voor de ontwikkeling van haar kinderen, met name de minderjarige, en voor haar eigen revalidatie. De ex-partner kan geen ondersteuning bieden voor de huisvesting van het minderjarig kind. Verweerder heeft het belang van het minderjarig kind, zoals door de DAV is benoemd, onvoldoende meegewogen. Gelet op alle omstandigheden van verzoekster, bezien in zijn geheel, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een strikte toepassing van de Verordening in dit specifieke geval leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
- Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit, voor zover daarbij geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule, voor vernietiging in aanmerking en is het beroep gegrond. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
- Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening vergoedt.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het beroep (SGR 25/2503) gegrond; vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (SGR 25/2502) af; draagt verweerder op de betaalde griffierechten van in totaal € 388,- aan verzoekster te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.721,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Artikel 4:5, onder b, c, d en m, van de Huisvestingsverordening Delft 2023 (de Verordening) in samenhang met de uitwerking daarvan in de Beleidsregel urgentieverklaringen Delft 2023 (de Beleidsregel). Artikel 7:3 van de Verordening en hoofdstuk 4 van de Beleidsregel. Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:
- Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning
- Brieven van revalidatiearts [naam 3] (Basalt) van 16 december 2022, van revalidatiearts [naam 1] (Basalt) van 18 april 2023, 4 juni 2024 en 22 oktober 2024, van [naam 4] , ergotherapeut, van 3 juni 2024 en van [naam 2] , oefentherapeut Cesar, van 31 mei 2024 en 18 oktober 2024.