RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 24/1268 en AWB 24/9902 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 3 juni 2025 in de zaken tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1979, van de Marokkaanse nationaliteit, eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de minister van Asiel en Migratie , de minister. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf als familie- of gezinslid” bij haar partner in Nederland (AWB 24/9902) samen met haar verzoek om een voorlopige voorziening en haar beroep tegen het niet tijdig beslissen van de minister om in te stemmen met haar verzoek om haar beroep rechtstreeks bij de bestuursrechter te behandelen (AWB 24/1268). 1.
- Eiseres heeft op 30 mei 2023 een aanvraag gedaan voor een mvv. 1.
- Op 28 augustus 2023 heeft de minister de beslistermijn om haar aanvraag te beoordelen met zes weken, tot 29 november 2023, verlengd. 1.
- Eiseres heeft de minister op 2 oktober 2023 ingebrekegesteld. Op 13 oktober 2023 heeft de minister de ingebrekestelling afgewezen omdat de beslistermijn nog niet was verstreken op het moment van de ingebrekestelling. 1.
- In een brief van 18 oktober 2023 heeft eiseres aan de minister laten weten dat zij het niet eens is met de verlenging van de beslistermijn en dat deze verlenging onrechtmatig is. 1.
- Met het besluit van 27 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres om een mvv afgewezen omdat zij niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verzocht om ontheffing van de inburgeringsplicht. 1.
- Op 12 januari 2024 heeft eiseres de minister verzocht om de bezwaarfase over te slaan en rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Daarnaast heeft eiseres gevraagd om een kopie van het dossier, een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift en een afschrift van de beoordeling van de ontheffing van de inburgeringsplicht. 1.
- Op 29 januari 2024 heeft eiseres bij de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar ingediend omdat het dossier niet was toegezonden. Tegelijkertijd heeft zij ook beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar verzoek om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. 1.
- In een brief van 30 januari 2024 heeft de minister het verzoek om de bezwaarfase over te slaan afgewezen en heeft de minister bevestigd dat het dossier naar eiseres is toegestuurd. 1.
- Op 26 februari 2024 verzoekt eiseres nogmaals om een voorlopige voorziening bij de rechtbank omdat het dossier incompleet is, het bevat namelijk geen stukken van het speciale team dat de ontheffing van de inburgering heeft beoordeeld. Eiseres verzoekt daarom de rechtbank om de minister te dwingen om een compleet dossier toe te zenden en alsnog in te stemmen met het rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. 1.
- Met het besluit van 6 juni 2024 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar gelijkgesteld met een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen en verzoeken op 23 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres. De minister was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank Beroep niet tijdig - (AWB 24/1268) 2.
- Eiseres heeft een beroep niet tijdig ingesteld omdat de beslissing van de minister op haar verzoek om het beroep rechtstreeks bij de bestuursrechter te behandelen volgens haar is uitgebleven. 2.
- De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het bestuursorgaan kan met een verzoek tot rechtstreeks beroep instemmen wanneer de zaak naar het oordeel van het bestuursorgaan daarvoor geschikt is. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in de voorbereiding van het primaire besluit de standpunten over en weer al zozeer zijn uitgewisseld dat de bezwaarschriftprocedure zou neerkomen op een herhaling van zetten. Rechtstreeks beroep heeft alleen zin als partijen het erover eens zijn dat zij het oneens zijn en ook eens zijn over de punten die hen verdeeld houden. Dit komt omdat het bestuursorgaan beleidsvrijheid toekomt met betrekking tot de vraag of het wil instemmen met het verzoek tot rechtstreeks beroep. 2.
- De rechtbank constateert dat de minister in haar brief op 30 januari 2024, in tegenstelling tot wat eiseres aanvoert, heeft gereageerd op haar verzoek om het beroep rechtstreeks bij de bestuursrechter te behandelen. In deze brief staat het volgende: “Wat betreft uw verzoek om de bezwaarprocedure over te slaan, bericht ik u dat uw verzoek niet wordt gehonoreerd. Hierbij is artikel 7:1a Awb relevant. Er kan van deze uitzonderingsbepaling gebruik worden gemaakt indien hiermee voorkomen kan worden dat er tijd in een bezwaarschriftprocedure wordt gestoken zonder dat dit toegevoegde waarde zou hebben. Hiervan is echter geen sprake, de bezwaarschriftprocedure is de aangewezen weg om het besluit van 27 oktober 2023 te heroverwegen op basis van alle relevante feiten en omstandigheden.” 2.
- Uit het bovenstaande volgt dat de minister het verzoek van eiseres heeft afgewezen. Zoals in overweging 2.
- is overwogen is dit een bevoegdheid die aan de minister toekomt. De rechtbank kan de minister dus niet dwingen om alsnog in te stemmen met dit verzoek. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voorlopige voorziening 3.
- Eiseres heeft om een voorlopige voorziening verzocht omdat het dossier zoals het nu bij eiseres voorligt, volgens haar incompleet is. Eiseres wijst op de brief van 28 augustus
- daarin zegt de minister dat de aanvraag van eiseres voor de mvv door een speciaal team beoordeeld moet worden. Eiseres ziet echter niets terug van deze beoordeling in het dossier. 3.
- De minister verwijst in het bestreden besluit naar de Openbare Werkinstructie WI2021/21 waarin de rol van het beslisteam is uitgelegd. De minister stelt daarbij ook dat er geen apart afschrift bestaat van de beslissing van het beslisteam. De beslissing van het beslisteam is te lezen onder de motivering van het besluit onder het kopje Inburgeringsvereiste. Het dossier dat eiseres op dit moment in haar bezit heeft, is dus volgens de minister compleet. 3.
- De rechtbank overweegt dat hetgeen eiseres aanvoert geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de verklaring van de minister. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de minister stukken achterhoudt. Eiseres heeft dit standpunt ook niet onderbouwd. De voorlopige voorziening wordt afgewezen. Afwijzing van de afgifte tot mvv – (AWB 24/9902) 4.
- Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag tot afgifte van een mvv, dan wel van ontheffing van de inburgeringsplicht. Zij heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2024 van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam. Daarin is het volgende overwogen ten aanzien van het inburgeringsvereiste: “
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit discriminatoir, want in strijd met artikel 2, eerste lid, onder a, van het IVUR, artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid van het 12e Protocol bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarnaast is het bestreden besluit in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn als ook onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.” De rechtbank overweegt dat uit die uitspraak volgt dat in zaken waarin het inburgeringsvereiste de enige reden is voor weigering van een mvv, dat besluit geen stand kan houden. 4.
- De minister is niet op zitting verschenen om haar standpunt toe te lichten en heeft ook niet gereageerd op de beroepsgrond van eiser met betrekking tot deze uitspraak. De rechtbank sluit zich daarom aan bij de uitspraak van 16 april
- Om die reden is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 6 juni 2024 en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor krijgt de minister acht weken. Deze beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen in AWB 24/1268 en AWB 24/9902 5.
- Het beroep met nummer AWB 24/9902 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 6 juni
- De minister zal in deze zaak een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. 5.
- Het beroep met nummer AWB 24/1268 is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer AWB 24/1268 wordt afgewezen. 5.
- Eiseres komt in de zaak 24/9902 in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - en moet door de minister worden betaald. 5.
- Hoewel het beroep gegrond is in de zaak AWB 24/9902 komt eiseres niet in aanmerking voor een proceskostenvergoeding. Er zijn drie afzonderlijke zaken op zitting behandeld. Vanwege een administratieve fout bij de rechtbank is echter slechts eenmaal in plaats van driemaal griffierecht geheven. Beslissing De rechtbank In de zaak met nummer AWB 24/9902: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 6 juni 2024; - draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814., - aan proceskosten aan eiseres. In de zaak met nummer AWB 24/1268: - verklaart het beroep ongegrond - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr.W.L. van der Pijl, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juni
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Artikel 7:1a van de Awb. ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.