← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:18592

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-4950 Zaaknummer: C/09/669275 Datum beschikking: 18 juli 2025 Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/omgang en alimentatie Beschikking op het op 1 juli 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende te op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het F9 formulier van 26 augustus 2024 met bijlage van de vrouw; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het F9 formulier van 26 november 2024 van de vrouw; - het F9 formulier van 5 maart 2025 van de man; - het F9 formulier van 15 april 2025 met bijlagen van de man; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek. Op 13 juni 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en A. Glinka, tolk Pools; de man met zijn advocaat; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. Verzoek en verweer De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt beëindigd en dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt belast, althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad; De vrouw doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd. De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig te bepalen dat: er, met wijziging van het ouderschapsplan, een zorgregeling zal zijn waarbij de kinderen eenmaal per maand op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man zijn/verblijven, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen om 18.00 uur terugbrengt; de beschikking van 18 augustus 2020 van deze rechtbank, alsook het daarin opgenomen ouderschapsplan, wordt gewijzigd ten aanzien van de daarin genoemde door de man te betalen kinderalimentatie en te bepalen die (kinderalimentatie) per 18 augustus 2020, dan wel met ingang van de datum van indienen van dit verzoek, maandelijks primair € 247,- bedraagt (€ 123,50 per kind per maand), dan wel subsidiair € 370,- bedraagt (€ 185,- per kind per maand); de vrouw de te veel ontvangen alimentatie aan de man dient terug te betalen en haar daartoe te veroordelen, dan wel de man gerechtigd is dat te verrekenen met toekomstige alimentatietermijnen; met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Feiten - De vrouw en de man zijn gehuwd geweest van 8 juni 2015 tot 2 november 2020. - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] , - [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] . - De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de vrouw. - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. - Bij beschikking van 18 augustus 2020 van deze rechtbank is – voor zover hier aan de orde –: - de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitgesproken; - bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking; - bepaald dat de man € 500,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. - In het ouderschapsplan is onder meer opgenomen: “7.1 Kosten van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] De kosten van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zijn door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op € 273 per kind per maand. De vader heeft volgens zijn jaaropgave 2019 verdiend € 44.000 en de moeder had geen eigen inkomen uit arbeid. Het netto besteedbare maandinkomen van de ouders bedraagt daarmede € 2.683 en de daarbij behorende behoefte van de twee kinderen is € 273 per maand per kind. 7.2 Kinderalimentatie Met ingang van de dag waarop de rechtbank de echtscheiding uitspreekt en zolang [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] minderjarig zijn en bij de moeder wonen, betaalt de vader aan de moeder om hem moverende redenen een alimentatie voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] van € 500 per kind per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2021.” - De vrouw en de man hebben beiden de Poolse nationaliteit. Beoordeling Gezag Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de kinderen. Juridisch kader Het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd als

  1. a)er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien
  2. b)wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek  samengevat  het volgende aangevoerd. De man is sinds 2022 geheel uit beeld verdwenen. De man heeft een nieuwe relatie gekregen en leek geen oog meer te hebben voor de kinderen. Vooral [de minderjarige 1] heeft hier moeite mee. [de minderjarige 1] is sinds eind 2023 aangemeld bij het Sociaal Team, omdat hij met gedragsproblemen kampt en gediagnosticeerd is met ASS. Verdere hulpverlening voor [de minderjarige 1] is gestagneerd, omdat hier toestemming van de man voor nodig is. Volgens de vrouw vermijdt de man ieder contact met haar. Het is daarom voor haar niet mogelijk om zaken met betrekking tot de kinderen met hem te bespreken. De vrouw betreurt de afwezigheid van de man, waardoor zij er al jaren alleen voor staat met de kinderen. Zij voert feitelijk al het eenhoofdig gezag over de kinderen uit. De vrouw vindt het daarom nodig om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Zij is dan niet langer afhankelijk van de medewerking van de man om zaken voor de kinderen te regelen. De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de zitting heeft de advocaat van de man benadrukt dat er wel al veel hulpverlening is ingezet en dat nergens uit blijkt dat de vrouw de man om toestemming heeft gevraagd en de man die niet heeft willen geven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar het eenhoofdig gezag over de kinderen toe te kennen, toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Gebleken is dat de man lange tijd uit beeld is geraakt. Op de zitting heeft de man heel eerlijk toegegeven dat dat is gekomen, omdat hij overspannen is geweest en zichzelf had teruggetrokken. Dit heeft als gevolg gehad dat er al langere tijd geen communicatie is tussen de man en de vrouw. De contacten die er waren, gingen grotendeels tussen de hulpverleningsinstanties. De man is daardoor nauwelijks op de hoogte van hoe het met de kinderen gaat, welke hulpverlening is ingeschakeld en noodzakelijk is en wat belangrijk voor hen is. Hij kan dit ook niet met de kinderen bespreken. In de door de vrouw als productie 7 overgelegde mail van 20 mei 2025 van de GZ-psycholoog van [de minderjarige 1] staat onder meer: “Omdat wij geen contact gegevens hebben van vader en vader heeft aangegeven bij het Sociaal Team tijdens het tekenen van onze toestemmingsdocumenten verder niet betrokken te willen worden, kunnen we deze brief niet naar hem opsturen.” De rechtbank sluit niet uit dat via de hulpverleningsinstanties de handtekening van de man verkregen kan worden als dit hem gevraagd wordt, maar de rechtbank neemt met de vrouw aan dat dit vertraging oplevert en dat dit niet de gewenste gang van zaken is. Op bovenstaande gronden zal de rechtbank zal dan ook het verzoek van de moeder om aan haar het eenhoofdig gezag toe te kennen, toewijzen. Zorgregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling/wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Inhoudelijke beoordeling De ouders hebben onder begeleiding van de rechtbank op de zitting afspraken met elkaar gemaakt over de te nemen stappen om de man en de kinderen weer nader tot elkaar te brengen. De man zal zich melden bij de contactpersoon van de gemeente, waarna waarschijnlijk het Sociaal Team een en ander verder kan gaan oppakken. Met het Sociaal Team kan bekeken worden hoe gewerkt kan worden aan herstel van contact tussen de man en de kinderen. De rechtbank kan zich voorstellen dat dat bijvoorbeeld gebeurt in de vorm van een gesprek tussen man en de kinderen onder begeleiding van het Sociaal Team. Hierbij kan de man dan de reden van zijn afwezigheid de afgelopen jaren uitleggen aan de kinderen op een voor hen begrijpelijke wijze. Voor de kinderen is het belangrijk om te weten dat dit niet absoluut niet aan hen lag. Ook kan de man de kinderen vertellen dat het inmiddels weer goed met hem gaat. De man kan de insteek voor dit gesprek ook daaraan voorafgaand bespreken met het Sociaal Team. Na afloop van het gesprek tussen de man en de kinderen kan met het Sociaal Team gekeken worden op welke wijze het contact tussen de man en de kinderen verder kan worden hersteld en uitgebreid en wat daarvoor nog nodig is. De raadsvertegenwoordiger heeft de ouders op de zitting gecomplimenteerd met het maken van deze afspraak. Ook heeft de raadsvertegenwoordiger benadrukt dat het belangrijk is dat het contactherstel gecontinueerd wordt, omdat dit van belang is voor de ontwikkeling van de kinderen en dat het om die reden goed is dat een en ander onder professionele begeleiding gaat plaatsvinden. De door partijen op zitting gemaakt afspraak leent zich niet voor opname in het dictum van de beschikking, maar de rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich aan de door hen op zitting gedane toezeggingen zullen houden. Gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming, beschouwt de rechtbank het verzoek van de man om vaststelling van een omgangsregeling als ingetrokken. Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de vrouw, de man en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot wijziging van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie voorop dat wijziging of intrekking van een rechterlijke uitspraak of overeenkomst ten aanzien van alimentatie op grond van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk is als zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1), als de rechterlijke uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4), of als de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). De advocaat van de man heeft expliciet op de zitting aangegeven, zich te beroepen op artikel 1:401 lid 5 BW. Uit dit wetsartikel volgt dat een overeenkomst over levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het betreft hier gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. De term grove miskenning van wettelijke maatstaven brengt met zich dat de rechtbank de overeengekomen kinderalimentatie niet uitsluitend kan wijzigen wanneer zij op grond van dezelfde gegevens tot een ander resultaat komt. De term grove miskenning brengt een zwaardere toets met zich: de overeengekomen bijdrage moet in een evidente wanverhouding staan tot de wettelijke maatstaven en die gegevens. Artikel 1:401 lid 5 BW is niet van toepassing als partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De contractsvrijheid van partijen bij een overeenkomst over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke bepaling dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Hieruit volgt dat wel ten gunste van minderjarige kinderen mag worden afgeweken van die wettelijke maatstaven. Als die gunstige afwijking bewust heeft plaatsgevonden, is wijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 niet mogelijk. Partijen zijn het erover eens dat er sprake is geweest van een afwijking van de wettelijke maatstaven, wat naar het oordeel van de rechtbank ook zo is als gekeken wordt naar de destijds vastgestelde behoefte van de kinderen (€ 273,- per maand per kind) en de uiteindelijke bijdrage die man is gaan betalen (€ 500,- per maand per kind). Tussen partijen is in discussie of deze afwijking bewust dan wel onbewust heeft plaatsgevonden. De vrouw stelt zich op het standpunt dat er bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken. Volgens de vrouw zijn alle documenten destijds door de man (vergezeld van zijn vriendin) op het kantoor van haar advocaat in Barendrecht in aanwezigheid van een tolk ondertekend en is de inhoud daar ook nog mondeling aan de man toegelicht. Daaraan voorafgaand had de man de documenten zowel in het Nederlands als in het Pools toegestuurd gekregen. Bovendien betaalt de man al meer dan zes jaar het toen vastgestelde bedrag. De man stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een onbewuste afwijking. In het ouderschapsplan staat dat de man om ‘moverende redenen’ het bedrag van € 500,- per maand per kind is gaan betalen, maar volgens de advocaat van de man had en heeft de man geen idee wat deze woorden betekenen. In het ouderschapsplan wordt bovendien nergens uitgelegd wat die redenen dan zijn en er was geen alimentatieberekening aan het ouderschapsplan gehecht. De man had duidelijk een probleem met de Nederlandse taal en hij had geen advocaat. De man had kortom geen idee waarvoor hij nu eigenlijk tekende. De man is de bijdrage pas ter discussie gaan stellen toen hij hoorde dat een collega een veel lager bedrag hoefde te betalen voor diens kinderen. De rechtbank komt op basis van wat er nu voorligt tot het oordeel dat er géén sprake is geweest van een bewuste afwijking. De rechtbank overweegt in dat kader dat zij enkel de beschikking heeft over het destijds door partijen getekende ouderschapsplan. Daarnaast heeft de rechtbank geen stukken waaruit blijkt hoe een en ander gelopen is. In de opmerking van de advocaat van de vrouw op de zitting dat anders de advocaat in kwestie vragen gesteld kan worden over hoe het is gegaan, ziet de rechtbank ook geen expliciet bewijsaanbod van de zijde van de vrouw. Daarbij is van belang dat de bewijslast in deze  dat er daadwerkelijk wel bewust is afgeweken  wat de rechtbank betreft wel aan de kant van de vrouw ligt nu het destijds haar advocaat betrof. Op de zitting is duidelijk geworden dat de kennis van de Nederlandse taal bij de man gebrekkig is. Verder is op geen enkele wijze gebleken dat de man destijds het Nederlandse alimentatiesysteem van behoefte en draagkracht is uitgelegd en wat dan de moverende redenen van de man waren om tot ene bewuste afwijking te komen. De rechtbank zal de man dus ontvangen in zijn verzoek en een berekening maken van de kinderalimentatie. Hierbij neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. Ingangsdatum De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bespreken. De vrouw verzoekt om uit te gaan van de datum van de beschikking. De man verzoekt om de ingangsdatum te bepalen op 18 augustus 2020 dan wel de datum van indiening van zijn verzoek. Gebleken is dat de man tot op heden de door hem verschuldigde bijdrage voor de kinderen aan de vrouw heeft voldaan. De rechtbank acht het aannemelijk dat de ontvangen kinderalimentatie door vrouw ten behoeve van de kinderen is geconsumeerd en zij komt verder in het navolgende tot de conclusie dat de draagkracht van de man tot verlaging van de eerder vastgestelde kinderalimentatie aanleiding geeft. Hierom zal de ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimentatie worden bepaald op de datum van de beschikking. De vrouw zal daarom geen kinderalimentatie behoeven terug te betalen en ook voor verrekening met de toekomstige alimentatietermijnen is geen reden. Behoefte Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen destijds te laag is vastgesteld. Beide partijen berekenen de behoefte in 2020 op een bedrag van € 307,- per maand per kind. Partijen verschillen van mening over de indexatie van dit bedrag. De vrouw indexeert het bedrag van 2020 naar 2025, terwijl de man stelt dat indexatie sowieso niet aan de orde is, omdat hij altijd al te veel heeft betaald. De rechtbank overweegt dat het al dan niet (te veel) betalen van kinderalimentatie los staat van de behoefte van de kinderen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om indexering uit te sluiten. De rechtbank past een indexering toe vanaf 2021 tot 2025 en berekent de behoefte op € 732,- per maand of wel € 366,- per maand per kind. Draagkracht man Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 51.509,- bruto per jaar. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de man overgelegde jaaropgave 2024. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 3.291,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.291 – (987,30 + 1.310)] = € 696,- per maand. Draagkracht vrouw De vrouw stelt dat zij op dit moment een netto ziektewetuitkering ontvangt van € 309,- netto per week en dat op basis daarvan haar draagkracht vastgesteld moet worden. De man stelt primair dat uitgegaan moet worden van de jaaropgave 2024 van de vrouw, maar deze is niet overgelegd. Omdat uit de stukken blijkt dat de vrouw nu een ziektewetuitkering ontvangt, zal de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw daarmee rekenen. Het is wel aan de vrouw om de man op het moment dat zij uit de Ziektewet gaat, hem daarover te informeren, zodat haar inkomen en draagkracht opnieuw kunnen worden vastgesteld. De rechtbank gaat nu uit van een ziektewetuitkering van € 389,85 bruto per week, dit is inclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich daarbij op de door de vrouw overgelegde betaalspecificaties van het UWV. Het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 2.038,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Bij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.025,- en € 2.075,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel

(2025)een draagkracht van € 110,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen. Gezamenlijke draagkracht en draagkrachtvergelijking De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 806,- per maand (€ 696,- + € 110,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man bedraagt: 696 / 806 x 732 = € 632,- Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 110 / 806 x 732 = € 100,- samen € 732,- Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 632,- per maand, wat neerkomt op € 316,- per maand per kind voor rekening van de man. Een gedeelte van € 110,- per maand, wat neerkomt op € 55,- per maand per kind, komt voor rekening van de vrouw. Zorgkorting De rechtbank volgt in dit opzicht het rapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg, met dien verstande dat de zorgkorting ten minste 5% van de behoefte bedraagt, omdat ouders onderling en jegens hun kinderen het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. Er is nu geen contact tussen de man en de kinderen, maar het is heel duidelijk dat toegewerkt gaat worden naar contactherstel. De rechtbank hecht er bovendien aan de kinderalimentatie toekomstbestendig te laten zijn en zal dan ook een zorgkorting toepassen van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 36,- per maand ((5% van € 732,-). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 596,- per maand (€ 632,- minus € 36,-), wat neerkomt op € 298,- per maand per kind. Conclusie Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man met ingang van heden aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bepalen op € 298,- per maand per kind. Het meer of anders verzochte met betrekking tot de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen. BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 18 augustus 2020 –: bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige kinderen: - [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ; - [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] ; van € 298,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. C.S.F. de Nijs, kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 juli 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.