RECHTBANK Den Haag Team handel zaak- / rolnummer: C/09/678063 / HA ZA 25-17 Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 17 september 2025 in de zaak van 1 [eiser] te [woonplaats] ,
(2017)waarin een van artikel 7:17 BW afwijkende regeling over non-conformiteit is opgenomen. In artikel 6.1 van de koopovereenkomst is bepaald dat de woning aan [eisers] c.s. in eigendom zal worden overgedragen in de staat waarin deze zich bevindt, met alle daarbij behorende zichtbare en onzichtbare gebreken. Deze gebreken maken dus onderdeel uit van de gekochte woning. De daarop in artikel 6.3 van het NVM-model vastgelegde uitzondering, op grond waarvan de verkoper instaat voor de afwezigheid van gebreken die een normaal gebruik van de woning in de weg staan, is in de koopovereenkomst doorgehaald en hebben [eisers] c.s. en [gedaagde 1] dus uitgesloten. Daarnaast is in artikel 20 van de koopovereenkomst bepaald dat verkoper aan koper geen vrijwaring, garantie of toezegging verstrekt met betrekking tot de afwezigheid van gebreken of de kwaliteit van het verkochte. Ook bevat artikel 21 van de koopovereenkomst een niet-zelfbewoningsclausule, waarin onder meer staat vermeld dat eigenschappen c.q. gebreken waarvan de verkoper op de hoogte zou zijn geweest als hij het verkochte zelf feitelijk had gebruikt, voor risico en rekening van koper komen. Verder is in artikel 23 van de koopovereenkomst opgenomen dat de woning een ‘casco (klus)woning’ betreft en niet de feitelijke eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn. In artikel 24 van de koopovereenkomst is ten slotte bepaald dat [gedaagde 1] het casco in bouwkundig redelijke staat zal brengen en dat hiervoor de werkzaamheden worden uitgevoerd zoals omschreven in de technische omschrijving en het overzicht met werkzaamheden. 6.
- De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van [gedaagde 1] dat het risico voor constructieve gebreken aan de woning op grond van hetgeen partijen zijn overeengekomen volledig voor risico van [eisers] c.s. komt. Hoewel [eisers] c.s. zich op basis van de koopovereenkomst ervan bewust moesten zijn dat zij de woning zelf moesten afbouwen en de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor gebreken aan de woning daarin in vergaande mate is beperkt, staat dit er niet aan in de weg dat [eisers] c.s. in dit geval mochten verwachten dat de aanbouw van de woning deugdelijk was gefundeerd. Daartoe is redengevend dat [gedaagde 1] met artikel 24 van de koopovereenkomst de garantie hebben afgegeven dat het casco bij levering in bouwkundig redelijke staat zou zijn gebracht. De fundering van de woning, waaronder die van de aanbouw, behoort tot het casco van de woning. Dit brengt mee dat [eisers] c.s. op basis van de koopovereenkomst niet hoefden te verwachten dat zij zich binnen afzienbare tijd na levering van de woning geconfronteerd zouden zien met constructieve gebreken aan de fundering van de aanbouw. 6.
- De rechtbank is van oordeel dat de aard van het gebrek aan de fundering van de aanbouw maakt dat de woning ten tijde van de levering niet voldeed aan artikel 24 van de koopovereenkomst. Uit de door [eisers] c.s. overgelegde deskundigenrapporten volgt dat sprake is van ernstige verzakking waardoor de achtergevel van de woning wordt meegetrokken. Dit is door [gedaagde 1] ook niet inhoudelijk bestreden. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de aanbouw - anders dan de woning zelf - niet op palen maar ‘op staal’ is gefundeerd (een betonplaat). De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde 1] dat geen sprake is van non-conformiteit, omdat een fundering op staal ten tijde van de bouw van de woning rond circa 1960 aan de destijds geldende normen voldeed. [gedaagde 1] heeft zich op grond van de koopovereenkomst immers ertoe verbonden om het casco in bouwkundig redelijke staat te brengen. Dit brengt mee dat bij de beoordeling of daaraan is voldaan, moet worden getoetst aan de normen die ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst golden. Uit het rapport van One Expertise volgt dat een fundering op staal in de omgeving van de woning van [eisers] c.s., een gebied met veengrond waar veel verzakking plaatsvindt, onvoldoende is. [gedaagde 1] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook onderschreven. De discussie tussen partijen of de verzakking als gevolg van de in opdracht van [gedaagde 1] verrichte werkzaamheden mogelijk is toegenomen, kan daarmee buiten beschouwing blijven. De conclusie van Expertisebureau Noord is dat de constructie van de woning als gevolg van de verzakking ernstig is aangetast en dat wanneer er niet tijdig was gestut er sprake zou zijn geweest van instortingsgevaar. Door de woning in deze conditie aan [eisers] c.s. te leveren, is [gedaagde 1] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit artikel 24 van de koopovereenkomst om het casco in bouwkundig redelijke staat te brengen. Dat de situatie zoals door [gedaagde 1] is aangevoerd tot (in ieder geval) 2017 stabiel is geweest, maakt dit niet anders. Uit de door [eisers] c.s. overgelegde deskundigenrapporten volgt dat de verzakking al langere tijd gaande is en dat deze tot gevolg heeft dat de achtergevel van de woning wordt meegetrokken. Daarnaast heeft te gelden dat verzakking een proces is dat zich uitstrekt over een langere periode. Dat er vanaf de bouw van de woning tot eind 2023 kennelijk geen verzakking is waargenomen, wil niet zeggen dat er in die periode geen verzakking heeft plaatsgevonden. 6.
- De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van [gedaagde 1] dat zij op grond van artikel 24 van de koopovereenkomst slechts gehouden was tot het uitvoeren van de werkzaamheden zoals opgenomen in de technische omschrijving en het bij de koopovereenkomst gevoegde overzicht met werkzaamheden. De rechtbank leidt uit verschillende door [eisers] c.s. in het geding gebrachte foto’s en het rapport van One Expertises af dat de fundering van de aanbouw voorafgaand aan de levering een ruime periode heeft open gelegen, zodat gedurende de werkzaamheden aan de woning of de bouw van de omliggende nieuwbouwwoningen door [gedaagde 1] is gezien of had kunnen en moeten worden gezien dat de aanbouw van de woning niet op palen, maar op staal is gefundeerd. De rechtbank acht hierbij van belang dat [gedaagde 1] een professionele projectontwikkelaar is die op het gebied van bouwkundige constructies, waaronder funderingen, deskundig wordt geacht. Op de zitting hebben [eisers] c.s. aangevuld dat de heer [naam] , een medewerker van [gedaagde 1] , meerdere malen in of nabij de woning is geweest tijdens de werkzaamheden aan het casco en de fundering op staal toen heeft kunnen zien. [gedaagde 1] heeft de aanwezigheid van de heer [naam] in of nabij de woning niet weersproken, maar aangegeven dat er geen toezicht werd gehouden tijdens de werkzaamheden die door haar aannemers in de woning werden verricht. [gedaagde 1] was daardoor naar eigen zeggen ook niet op de hoogte van de fundering op staal. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] als eindverantwoordelijke wel enige vorm toezicht had moeten houden, en zich ervan moest vergewissen dat de woning uiteindelijk in bouwkundig redelijke staat zou komen te verkeren, zoals aan [eisers] c.s. gegarandeerd. [gedaagde 1] had, gelet op het langere tijd open liggen van de fundering van de aanbouw, kunnen en moeten weten dat deze niet voldeed. [gedaagde 1] is er daarmee ten onrechte van uit gegaan dat het casco in bouwkundig redelijke staat zou kunnen worden gebracht met enkel de werkzaamheden zoals opgenomen in de technische omschrijving en in het bij de koopovereenkomst gevoegde overzicht. De fundering van de aanbouw had ook aangepast moeten worden. 6.
- De rechtbank gaat ook voorbij aan het verweer van [gedaagde 1] dat zij er op basis van het in opdracht van haar opgemaakte rapport van 3 april 2016 op mocht vertrouwen dat de aanbouw op palen is gefundeerd, omdat in dat rapport staat ‘de woning is conform bouwtekening onderheid’. Er hebben zich nadien namelijk omstandigheden voorgedaan (het open liggen van de fundering) op basis waarvan [gedaagde 1] niet langer uit had mogen gaan van een fundering op palen. 6.
- De rechtbank gaat ten slotte voorbij aan het standpunt van [gedaagde 1] dat [eisers] c.s. geen aanspraken meer op haar hebben, omdat [eisers] c.s. haar in de vaststellingsovereenkomst gedateerd op 22 september 2017 finale kwijting hebben verleend. De rechtbank leidt uit de vaststellingsovereenkomst af dat de finale kwijting is verleend voor het daarin omschreven gebrek. In de vaststellingsovereenkomst is het gebrek zeer beperkt omschreven, namelijk als de scheurvorming die is ontstaan als gevolg van de omstandigheid dat de stalen balk onvoldoende werd ondersteund. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de gebrekkige fundering van de aanbouw niet onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst valt en dat de finale kwijting daarop geen betrekking heeft. 6.
- Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de woning op het moment van de eigendomsoverdracht niet voldeed aan wat [eisers] c.s. op basis van de koopovereenkomst mochten verwachten. [gedaagde 1] heeft haar verplichting uit artikel 24 van de koopovereenkomst om het casco in bouwkundig redelijke staat te brengen geschonden. Dit levert een tekortkoming van [gedaagde 1] in de nakoming van de koopovereenkomst op. [eisers] c.s. hebben [gedaagde 1] bij brief van 16 april 2024 deugdelijk in gebreke gesteld. [gedaagde 1] is vervolgens niet overgegaan tot herstel of vergoeding van enige schade waardoor zij vanaf 30 april 2024 in verzuim is geraakt. Gelet op het ingetreden verzuim hebben [eisers] c.s. recht op (vervangende) schadevergoeding. Aansprakelijkheid van [gedaagde 2] 6.
- [eisers] c.s. hebben aan hun vordering jegens [gedaagde 2] ten grondslag gelegd dat [gedaagde 2] is tekort geschoten in de met [gedaagde 1] gesloten aannemingsovereenkomst en dat [eisers] c.s. als koper de aanspraken van [gedaagde 1] jegens [gedaagde 2] heeft overgenomen. Volgens [eisers] c.s. hebben [gedaagde 2] de werkzaamheden aan de aanbouw niet goed uitgevoerd en heeft [gedaagde 2] haar waarschuwingsplicht geschonden, omdat zij niet heeft gemeld dat de aanbouw niet op palen was gefundeerd. 6.
- [gedaagde 2] heeft betwist dat zij jegens [eisers] c.s. aansprakelijk is. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij haar werk – het aanhelen van de aanbouw – goed heeft uitgevoerd en geen waarschuwingsplicht heeft geschonden. [gedaagde 2] is naar eigen zeggen niet deskundig op het gebied van fundering en meent dat zij af mocht gaan op het in opdracht van [gedaagde 1] opgestelde bouwkundige rapport. 6.
- [eisers] c.s. hebben, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde 2] , onvoldoende onderbouwd dat de werkzaamheden van [gedaagde 2] aan de aanbouw verder strekten dan het aanhelen daarvan. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het aanhelen van de aanbouw op zich deugdelijk is verricht. In zoverre is van een tekortkoming aan de kant van [gedaagde 2] geen sprake. [gedaagde 2] had dus slechts een zeer beperkte taak, bestaande uit het aanhelen van de aanbouw. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet op de weg van [gedaagde 2] om (ook) opmerkzaam te zijn wat betreft de fundering. Op [gedaagde 2] rustte dan ook geen waarschuwingsplicht richting [gedaagde 1] . Nog daargelaten of [gedaagde 2] de openliggende fundering wel heeft gezien. Zij heeft het sloopwerk immers niet uitgevoerd. Van onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] tegenover [eisers] c.s. is gelet hierop en ook overigens niet gebleken. Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van [eisers] c.s. jegens [gedaagde 2] worden afgewezen. De hoogte van de schade 6.
- Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de door [eisers] c.s. geleden en te lijden schade. De rechtbank zal hierna ingaan op de omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Kosten herstel 6.
- [eisers] c.s. vorderen een bedrag van € 71.760,71 aan herstelkosten, welk bedrag zij hebben onderbouwd met het overleggen van een factuur van JBR Totaal Techniek. 6.
- [gedaagde 1] voert verweer tegen de gevorderde herstelkosten. Zij stelt zich op het standpunt dat hooguit de kosten voor de sloop van de aanbouw als schade kunnen worden aangemerkt, omdat [gedaagde 1] - als zij had geweten dat de fundering gebrekkig was - de aanbouw had gesloopt en de achtergevel had dichtgemaakt. Volgens [gedaagde 1] is met de sloopwerkzaamheden blijkens de offerte van JBR Totaal Techniek hooguit een bedrag van € 11.825,00 exclusief btw gemoeid. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de overige schade ook voor vergoeding in aanmerking komt, stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat de gevorderde schade op grond van artikel 6:100 BW met 50% moet worden gematigd. [gedaagde 1] legt daaraan ten grondslag dat de uitvoering van de herstelwerkzaamheden aan de aanbouw voordeel voor [eisers] c.s. opleveren, omdat zij daardoor komen te beschikken over een nieuwe fundering van betere kwaliteit. 6.
- De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van [gedaagde 1] dat alleen de kosten voor de sloopwerkzaamheden als schade voor vergoeding in aanmerking komen. [eisers] c.s. hebben op basis van de koopovereenkomst een woning gekocht die casco in redelijke staat zou worden gebracht. Tot dit casco behoort ook de aanbouw met fundering. Dat [gedaagde 1] ten onrechte heeft geconstateerd dat er geen werkzaamheden aan de aanbouw van de fundering hoefden plaats te vinden om het casco in bouwkundig redelijke staat te brengen, dient voor haar eigen rekening en risico te komen. Voor de hoogte van de schade in verband met de herstelwerkzaamheden kan worden uitgegaan van de in de factuur van JBR Totaal Techniek genoemde werkzaamheden, die door [gedaagde 1] niet, althans onvoldoende, is betwist. Daarbij zal worden aangesloten bij het daarin geoffreerde bedrag van € 71.760,71 inclusief btw, omdat dit de rechtbank - met inachtneming van de begroting in het rapport van One Expertise - niet onredelijk voorkomt. 6.
- Verder slaagt het beroep op voordeelstoerekening niet. Bij de beoordeling van de vraag of aftrek van een door de schuldeiser genoten voordeel redelijk is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang en geldt onder meer dat moet worden voorkomen dat de benadeelde tegen zijn wil een bepaald bestedingspatroon wordt opgedrongen (HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:956). De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat [eisers] c.s. bij aankoop van de woning, voordat zij de gebreken aan de fundering kenden, niet voornemens waren de fundering te vervangen, omdat zij ervan uitgingen dat het casco in redelijke staat verkeerde en dat zij ook niet over de middelen beschikken om dergelijke herstelwerkzaamheden te bekostigen. Voor toerekening van voordeel zou niettemin aanleiding kunnen zijn in het geval [eisers] c.s. bij het laten uitvoeren van de herstelwerkzaamheden zouden kiezen voor toevoegingen, verfraaiingen of uitvoeringsmodaliteiten die het bestek van een enkele vervanging van de gebrekkige fundering door een deugdelijke fundering te buiten zouden zijn gaan. Dat de nieuwe fundering van betere kwaliteit is, zoals [gedaagde 1] stelt, is inherent aan het feit dat deze nu eenmaal integraal moet worden vervangen. Het is dan niet redelijk om de schadevergoedingsplicht van [gedaagde 1] te beperken vanwege dit door [eisers] c.s. (noodzakelijk) genoten voordeel. [gedaagde 1] heeft overigens ook onvoldoende onderbouwd wat de omvang van het voordeel van [eisers] c.s. is. Dat er verder nog verfraaiingen of andere niet noodzakelijke werkzaamheden zouden worden uitgevoerd, heeft [gedaagde 1] ook onvoldoende gesteld. Kosten noodstempels 6.
- [eisers] c.s. vorderen een bedrag van € 2.446,80 voor het plaatsen van noodstempels en verwijzen hiervoor naar de facturen van Aannemersbedrijf [bedrijfsnaam] . Zij stellen dat het plaatsen van de noodstempels in de woning noodzakelijk was om instortingsgevaar te voorkomen. 6.
- De rechtbank acht de gevorderde kosten voor het plaatsen van de noodstempels toewijsbaar. Uit het rapport van Expertisebureau Noord volgt dat wanneer er niet tijdig was gestut er sprake zou zijn geweest van instortingsgevaar. De noodzaak van het plaatsen van de stempels of de hoogte van de daarvoor gevorderde kosten, is door [gedaagde 1] ook niet betwist. Kosten inrichten aanbouw 6.
- One Expertise heeft de kosten voor het (opnieuw) inrichten van de aanbouw geraamd op € 8.542,40 inclusief btw. Dit bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zich in de aanbouw een woonkeuken bevindt die als gevolg van de herstelwerkzaamheden zal moeten worden afgebroken en opnieuw worden geplaatst. Gedaagden hebben ook geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de hoogte van dit gevorderde bedrag. Kosten vervangende woonruimte en reiskosten 6.
- [eisers] c.s. vorderen een bedrag van € 3.000,00 voor vervangende woonruimte in de periode december 2023 tot en met november 2024 en met ingang van december 2024 een bedrag van € 750,00 per maand. Verder vorderen [eisers] c.s. een bedrag van € 2.495,28 aan extra reiskosten. [eisers] c.s. stellen daartoe dat de woning in de huidige staat onbewoonbaar is en dat zij daarom sinds december 2023 bij een familielid verblijven waarvoor zij maandelijks een vergoeding van € 750,00 betalen. [gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat [eisers] c.s. deze kosten onvoldoende hebben onderbouwd. 6.
- De rechtbank overweegt als volgt. De gevorderde kosten voor vervangende woonruimte zijn door [eisers] c.s. onvoldoende gemotiveerd. In het rapport van Expertisebureau Noord is slechts opgemerkt dat de woning tijdens de herstelwerkzaamheden niet kan worden bewoond. Het had op de weg van [eisers] c.s. gelegen om te onderbouwen dat de woning in de huidige staat onbewoonbaar is. Tijdens de plaatsopneming hebben [eisers] c.s. verteld dat een aannemer tegen hen heeft gezegd dat hij niet in de woning zou blijven wonen met zijn gezin vanwege mogelijk instortingsgevaar. [eisers] c.s. hebben dit echter niet nader onderbouwd. Daarnaast hebben [eisers] c.s. geen stukken in het geding gebracht waaruit volgt dat zij daadwerkelijk maandelijks € 750,00 voor vervangende woonruimte betalen. In dit verband acht de rechtbank ook de gevorderde extra reiskosten onvoldoende onderbouwd. Conclusie 6.
- Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld tot betaling aan [eisers] c.s. van in totaal € 82.749,91 aan schadevergoeding (€ 71.760,71 + € 2.446,80 + 8.542,40). Expertisekosten 6.
- [eisers] c.s. vorderen een bedrag van € 3.093,37 inclusief btw aan kosten van deskundigen. Ter onderbouwing verwijzen zij naar een factuur van Expertisebureau Noord ter hoogte van € 1.149,50 inclusief btw en One Expertise van € 1.943,87 inclusief btw. Volgens [eisers] c.s. hebben zij deze kosten moeten maken in het kader van het vaststellen van de aansprakelijkheid en de schade. 6.
- Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW kunnen kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen, als er voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Die toets houdt in dat de kosten redelijk gemaakt moesten worden en de kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn. 6.
- De rechtbank is van oordeel dat de door [eisers] c.s. overgelegde facturen voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Gelet op de discussie(s) tussen partijen en de uitkomst van deze procedure is aan de eerste redelijkheidstoets voldaan: de verrichte werkzaamheden door Expertisebureau Noord in combinatie met die van One Expertise zijn noodzakelijk geweest om (vervangende) schadevergoeding te krijgen. Daarnaast komen deze kosten de rechtbank niet onredelijk voor (tweede toets). [gedaagde 1] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling aan [eisers] c.s. van € 3.093,37 aan deskundigenkosten. Buitengerechtelijke incassokosten 6.
- [eisers] c.s. vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De toegewezen vordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. 6.
- Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de rechtbank het uitgangspunt dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Tegen deze achtergrond hebben [eisers] c.s. onvoldoende gesteld met betrekking tot de verrichte werkzaamheden. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen. Proceskosten 6.
- [eisers] c.s. zijn in het incident in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De rechtbank begroot de proceskosten in het incident op nihil. De vordering in het incident en in de hoofdzaak zijn in hetzelfde stuk ingesteld en zijn gebaseerd op dezelfde feitelijke en juridische grondslag. Daaruit leidt de rechtbank af dat gedaagden voor de vordering in incident geen extra kosten hebben gemaakt. 6.
- [gedaagde 1] is in de hoofdzaak grotendeels in het ongelijk gesteld ten opzichte van [eisers] c.s. en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisers] c.s. betalen. [eisers] c.s. hebben gedaagden bij dezelfde dagvaarding in het geding opgeroepen. [gedaagde 1] hoeft daarom maar de helft van de kosten van de dagvaarding te vergoeden. Omdat gedaagden bij dezelfde advocaat zijn verschenen, wordt [gedaagde 1] veroordeeld tot betaling van de helft van het griffierecht en hanteert de rechtbank voor het salaris advocaat een factor 0,
- De proceskosten van [eisers] c.s. in de hoofdzaak worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 69,71 (0,5 x € 139,42) - griffierecht € 1.361,50 (0,5 x € 2.723,00) - salaris advocaat € 2.893,50 (3 punten × € 1.929,00 x 0,5) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.502,71 6.
- [eisers] c.s. zijn in de hoofdzaak ten opzichte van [gedaagde 2] in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 2] betalen. Gedaagden hebben in de hoofdzaak maar één keer griffierecht hoeven betalen. [eisers] c.s. hoeft daarom maar de helft van het griffierecht aan [gedaagde 2] te vergoeden. Verder hebben gedaagden dezelfde conclusie van antwoord ingediend waarin het verweer van gedaagden (grotendeels) gelijkluidend is. De rechtbank hanteert daarom voor het salaris advocaat een factor 0,
- De proceskosten van [gedaagde 2] in de hoofdzaak worden begroot op: - griffierecht € 3.308,50 (0,5 x € 6.617,00) - salaris advocaat € 2.893,50 (3 punten × € 1.929,00 x 0,5) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.380,00 7De beslissing De rechtbank in het incident 7.
- wijst het gevorderde af; 7.
- veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten begroot op nihil; in de hoofdzaak 7.
- wijst de vorderingen van Romein c.s. ten opzichte van [gedaagde 2] af; 7.
- veroordeelt [gedaagde 1] binnen twee weken na dit vonnis tot betaling aan [eisers] c.s. van een schadevergoeding van € 82.749,91, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 30 april 2024 tot de dag van volledige betaling; 7.
- veroordeelt [gedaagde 1] binnen twee weken na dit vonnis tot betaling aan [eisers] c.s. van € 3.093,37 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 30 april 2024 tot de dag van volledige betaling; 7.
- veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eisers] c.s. van € 4.502,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend; 7.
- veroordeelt [eisers] c.s, in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 6.380,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend; 7.
- veroordeelt [eisers] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten van [gedaagde 2] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 7.
- verklaart dit vonnis voor wat betreft 7.4 tot en met 7.8 uitvoerbaar bij voorraad; 7.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Warmerdam en in het openbaar uitgesproken door mr. P. Dondorp, rolrechter, op 17 september
- 3219