RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.11094 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , [V-Nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. V. Sarkisian), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Samenvatting 1.
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat de minister eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.
- Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.
- Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
- De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3.
- Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1971 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiseres is op 14 januari 2023 in Suriname getrouwd met [echtgenoot] . Op 4 mei 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een visum voor kort verblijf om haar schoonzus (garantsteller) en haar echtgenoot (referent) te bezoeken in Nederland. 3.
- De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en omdat er een redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Mede gelet op de lokale dan wel algehele situatie in Suriname acht de minister het niet aannemelijk dat eiseres tijdig zal terugkeren. Er is onvoldoende aangetoond dat sprake is van voldoende sociale en economische binding met Suriname. Overwegingen
- In het bestreden besluit heeft de minister slechts één weigeringsgrond besproken. Daarnaast heeft de minister afgezien van het horen van eiseres en/of referent. In het verweerschrift heeft de minister de weigeringsgrond over het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf laten vallen waardoor alleen nog de (besproken) weigeringsgrond over tijdige terugkeer aan eiseres wordt tegengeworpen. Op basis van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode is deze weigeringsgrond op zichzelf voldoende om een visum te weigeren. Eiseres is van mening dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de tijdige terugkeer van eiseres naar Suriname redelijkerwijs niet gewaarborgd is te achten.
- De rechtbank overweegt dat op de zitting de gemachtigde van eiseres heeft toegelicht dat juist om een visum in plaats van om een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) is verzocht omdat eiseres haar hoofdverblijf wenst te behouden in Suriname. Ook heeft eiseres aangeboden om garanties te bieden dat zij daadwerkelijk tijdig terug zal keren naar Suriname, zoals het betalen van een waarborgsom of te voldoen aan een meldplicht. Eiseres stelt dat zij geen intentie heeft om fraude te plegen en zij met haar visumaanvraag duidelijk wilde maken dat zij niet permanent in Nederland wil verblijven. In Suriname heeft eiseres haar kinderen en kleinkind met wie zij een hechte band heeft. Verder heeft ze in Suriname haar werk; zij werkt als doktersassistente in vast dienstverband voor [een arts] . Ook bezit eiseres onroerend goed. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat eiseres kan rondkomen van haar inkomsten als doktersassistente en van de inkomsten uit onroerend goed. Ook heeft de gemachtigde toegelicht dat referent zo vaak en zo lang als mogelijk naar Suriname gaat om met eiseres samen te zijn. Als referent daar is, onderhoudt hij eiseres. Referent geniet AOW en mag maximaal dertien weken in het buitenland verblijven. Hij wil zijn hoofdverblijf niet verplaatsen uit Nederland, onder andere vanwege zijn uitkering en zijn kinderen en kleinkinderen. Referent wil graag dat eiseres naar Nederland komt om zijn familie te ontmoeten en om samen herinneringen te maken. Verder heeft de gemachtigde van eiseres bereidheid geuit om desgewenst nadere informatie en bewijsstukken te overleggen met betrekking tot haar werk als doktersassistente. Als de minister enkele gerichte vragen had gesteld tijdens een hoorzitting dan had eiseres geweten wat van haar verwacht werd en welke informatie de minister nog van haar nodig had.
- De rechtbank overweegt dat eiseres en/of referent niet zijn gehoord in de bezwaarfase. Van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval redelijkerwijs niet tot het oordeel had kunnen komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De rechtbank verwijst naar hetgeen van de zijde van eiseres naar voren is gebracht tijdens de behandeling op de zitting. Daar is bijvoorbeeld toegelicht waarom eiseres voor een visum heeft gekozen in plaats van een mvv. Eiseres heeft aangegeven haar hoofdverblijf te willen behouden in Suriname. Het gehoor had ook uitkomst kunnen bieden om ontbrekende informatie, bijvoorbeeld met betrekking tot de inkomsten, boven tafel te krijgen. Dit betekent dat de minister niet van het horen van eiseres en/of referent heeft kunnen afzien. Conclusie en gevolgen 7.
- Het beroep is gegrond omdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 7.
- Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 14 februari 2024; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187 aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit staat in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.