RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak- en rolnummer: C/09/676858 / HA ZA 24-1041 Vonnis van 8 oktober 2025 in de zaak van 1 [eiser] te [woonplaats] ,2. [eiseres] te [woonplaats] , eisers, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. W. van Egmond, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, hierna te noemen: de Staat, advocaten: mr. T.J. Crom. 1Waar gaat deze zaak over? [eisers] zijn de ouders van [naam] die in 2021 door een misdrijf om het leven is gekomen. De verdachte van dit misdrijf, de [verdachte] (hierna: [verdachte] ), heeft tijdens zijn detentie (voorlopige hechtenis) een einde aan zijn leven gemaakt. [eisers] houden de Staat hiervoor verantwoordelijk. Omdat het openbaar ministerie [verdachte] niet meer strafrechtelijk heeft kunnen vervolgen, hebben [eisers] zich niet als benadeelde partij kunnen voegen in de strafzaak tegen [verdachte] en hebben zij hun schade (shockschade, affectieschade en overlijdensschade) niet binnen het strafproces kunnen verhalen. Zij spreken daarom nu de Staat aan. De Staat is echter van mening dat dat niet kan. 2De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 28 november 2024, met producties 1 en 2; de conclusie van antwoord. 2.2. Op 5 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. 3De feiten 3.1. [eisers] zijn de ouders van [naam] (hierna: [naam] ) die op 15 mei 2021 door een misdrijf om het leven is gekomen. [verdachte] was de verdachte van dit misdrijf. Tussen partijen is niet in geschil dat [verdachte] [naam] om het leven heeft gebracht. 3.2. [verdachte] was de partner van [naam] . Hij is op 16 mei 2021 (onder bewaking) opgenomen in het [ziekenhuis] te [plaats 1] (hierna: het ziekenhuis) met snijwonden aan de binnenkant van zijn onderarmen na een suïcidepoging. 3.3. Op 19 mei 2021 is [verdachte] in het ziekenhuis voorgeleid aan de rechter-commissaris in strafzaken vanwege de verdenking van het feit dat hij [naam] opzettelijk om het leven heeft gebracht. De rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling van [verdachte] rechtmatig geoordeeld en op 21 mei 2021 is zijn bewaring bevolen en is [verdachte] voor verder herstel overgeplaatst naar het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg in [plaats 2] . Op 2 juni 2021 wordt de gevangenhouding van [verdachte] voor de duur van 90 dagen bevolen. 3.4. [verdachte] is op 3 juni 2021 overgeplaatst naar in Justitieel Complex [plaats 3] (hierna: JC [plaats 3] ). 3.5. [verdachte] heeft op 17 juni 2021 in zijn cel in JC [plaats 3] een einde aan zijn leven gemaakt door zijn polsen door te snijden met een scheermesje uit de standaardinventaris op zijn cel. 4Het geschil 4.1. [eisers] vorderen – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit het overlijden van [verdachte] in JC [plaats 3] ; II. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure; III. de Staat veroordeelt in de proceskosten inclusief de redelijke kosten voor juridische bijstand die [eisers] hebben moeten maken. 4.2. [eisers] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. Zij stellen dat de Staat ernstig tekort is geschoten in zijn zorgplicht ten aanzien van de gedetineerde [verdachte] waardoor hij zichzelf in zijn cel van het leven heeft kunnen beroven. Hierdoor is de vervolging van [verdachte] geëindigd en hebben [eisers] niet de mogelijkheid gehad om zich als benadeelde partij te voegen in de strafzaak. Daardoor hebben zij geen vergoeding gekregen voor hun schade (waaronder affectieschade, shockschade en overlijdensschade). De kans dat zij in het strafproces een vergoeding voor de door hun geleden schade zouden hebben gekregen was volgens hen zeer groot. 4.3. De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.4. De Staat voert hiertoe het volgende aan. Ten eerste stelt de Staat dat de norm die volgens [eisers] zou zijn geschonden (de zorgplicht jegens een gedetineerde) niet strekt tot bescherming tegen de schade die [eisers] hebben geleden. Ten tweede is er volgens de Staat geen sprake van een causaal verband tussen de aan de Staat verweten gedraging en de door Veerman gestelde schade. Tot slot stelt de Staat zich op het standpunt dat hij niet tekortgeschoten is in de zorg voor [verdachte] . 4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Inleiding 5.1. [eisers] hebben in korte tijd twee ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Hun dochter in door een misdrijf om het leven gekomen. Dat is intens verdrietig en heeft bij hen begrijpelijk tot vele vragen geleid. Vervolgens heeft de persoon die verdacht werd van het veroorzaken van de dood van hun dochter – [verdachte] – tijdens detentie suïcide gepleegd. Daardoor blijven hun vragen onbeantwoord en is het niet tot een strafproces tegen [verdachte] gekomen. In een strafproces hadden [eisers] hun rechten als slachtoffer kunnen uitoefenen, zoals het indienen van een vordering benadeelde partij. Een dergelijke vordering ingesteld tegen [verdachte] zou mogelijk zijn toegewezen. 5.2. In deze procedure vorderen [eisers] van de Staat vergoeding van de schade die zij – indien het tot een strafproces zou zijn gekomen – van [verdachte] zouden hebben gevorderd. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Staat niet aansprakelijk is voor de schade die [eisers] stellen te lijden doordat zij hun vordering op [verdachte] niet in een strafproces tegen hem kunnen verhalen. De vorderingen van [verdachte] zullen dan ook worden afgewezen. Onrechtmatigheid: heeft de Staat zijn zorgplicht geschonden? 5.3. De rechtbank begrijpt dat [eisers] hun vordering uit onrechtmatige daad (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) baseren op de schending van de zorgplicht van de Staat jegens [verdachte] als gedetineerde. Zij stellen hiertoe dat de Staat bekend was of bekend had moeten zijn met het suïciderisico bij [verdachte] omdat hij vijf weken voor zijn overlijden nog een ernstige suïcidepoging heeft ondernomen waarbij hij zijn polsen heeft doorgesneden. Volgens hen heeft de Staat desondanks verzuimd passende maatregelen te treffen om dit risico af te wenden waardoor [verdachte] in de gelegenheid is geweest om suïcide te plegen in zijn cel met gebruikmaking van een scheermesje uit de standaardinventaris van een gedetineerde. [eisers] vinden het onbegrijpelijk dat een scheermesje ter beschikking is gesteld aan een persoon die kort daarvoor nog een poging tot zelfdoding heeft gedaan. Zij menen dat de Staat hiermee nalatig is geweest in de zorg voor [verdachte] . Door de zorgplichtschending is hen de kans ontnomen om in een strafproces gerechtigheid en compensatie te verkrijgen voor het overlijden van hun dochter. 5.4. De Staat betwist dat hij zijn zorgplicht heeft geschonden. Een scheermesje behoort tot de standaardinventaris van een cel en op het moment dat [verdachte] suïcide pleegde was er volgens de Staat geen grond om hem (een deel van) de standaardinventaris te ontzeggen. De Staat voert ter onderbouwing van zijn standpunt aan dat een onafhankelijke calamiteitenonderzoekscommissie naar aanleiding van de suïcide door [verdachte] een onderzoeksrapport heeft opgesteld. De conclusie van het rapport luidt dat voor de medewerkers van JC [plaats 3] niet was te voorzien dat [verdachte] suïcide zou plegen en dat de kwaliteit van zorgverlening voldoende was. De Staat heeft verder toegelicht dat [verdachte] tijdens zijn detentie in beide inrichtingen steeds goed in het vizier is gehouden en intensief is begeleid, dat het suïciderisico voortdurend is gemonitord door medisch personeel, waaronder een psycholoog, en dat er maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs binnen de macht van JC [plaats 3] lagen om een reëel en onmiddellijk gevaar voor het leven of de gezondheid van [verdachte] af te wenden. Daarbij heeft de Staat erop gewezen dat gedetineerden aan geen andere beperkingen mogen worden onderworpen dan die welke voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of veiligheid in de inrichting noodzakelijk zijn (artikel 2 lid 3 van de Penitentiaire beginselenwet). [verdachte] maakte – zo stelt de Staat – een toekomstgerichte indruk zodat er geen basis was om hem bepaalde beperkingen ter voorkoming van suïcide op te leggen. 5.5. De Staat heeft het onderzoeksrapport niet in het geding gebracht omdat daarin medische gegevens van [verdachte] zijn opgenomen die op grond van het bepaalde in artikel 7:458a BW slechts aan derden mogen worden verstrekt indien zij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.